Mohammed is feilbaar. Of niet?

De spraakmakende theoloog Tariq Ramadan probeert het beeld van Mohammed te verzoenen met de behoefte aan integratie en dialoog. Hij gaat daarbij op kousevoeten.

Tariq Ramadan: The Messenger. The Meanings of the Life of Mohammed. Allen Lane, 242 blz. € 34,99

Toen de crisis over de Deense cartoons losbarstte, vroeg een enkeling zich bij het zien van de woedende demonstranten af: waarom niet vertrouwd op het koranvers dat zegt ‘met elke nood komt een verlichting’? Zou het geen goed idee zijn om aan een onwetend gehoor uit te leggen waarom Mohammed zo’n voorbeeld is? Het lijkt erop dat Tariq Ramadan, de Zwitserse moslimfilosoof, deze verzuchting ter harte heeft genomen. Zonder naar de cartoonrel te verwijzen is hij met een boek gekomen over de betekenis van Mohammed. En hij richt zich niet enkel tot moslims, maar schetst ook voor geïnteresseerde buitenstaanders een hartstochtelijk portret van de grondlegger van de islam.

Zijn studie naar de profeet wil niet in de eerste plaats een historisch onderzoek zijn, maar de betekenis duiden van het leven van Mohammed voor moderne samenlevingen. Deze studie past dan ook in een reeks boeken van Ramadan die de positie omschrijven van moslims in de westerse wereld. Volgens hem moeten de migranten en hun kinderen breken met de diaspora-gedachte, dat wil zeggen: hun aanwezigheid in liberale samenlevingen niet langer zien in het perspectief van hun afkomst of terugkeer. Hij probeert duidelijk te maken dat islam en burgerschap elkaar niet in de weg hoeven te staan.

Ramadans werk is inzet van hevige polemiek, vooral in Frankrijk, waar hij ervan wordt beschuldigd met gespleten tong te spreken: een liberale toon naar de buitenwereld, maar voor de jongeren in de banlieues een subversieve boodschap. Die argwaan is onterecht, want veel van zijn ambivalenties liggen aan de oppervlakte en zijn helemaal niet verborgen. Die spanningen zijn interessant, omdat ze uitdrukking geven aan de omstreden positie van moslims in Europa.

Zo spreekt Ramadan in eerdere boeken over het integratiebeginsel: ‘Het gaat erom alle elementen van het leven te integreren die zich niet tegen onze oriëntatie verzetten en ze geheel en al te zien als de onze.’ Anders gezegd: alles wat zich niet verzet tegen de islam kunnen moslims islamitisch noemen. Dat is een dubbelzinnige formulering, want hij stelt zich open voor veel wat buiten de islamitische traditie is ontstaan, maar tegelijk kan hij deze verworvenheden alleen aanvaarden door ze binnen de islam op te nemen. Wat wordt gegeven wordt zo onmiddellijk weer genomen. Daarbij is duidelijk dat hij geen afstand neemt van de allesomvattende ambitie van de islam.

Ramadan stelt dus het geloof voorop: moslims kunnen slechts deel uitmaken van de westerse samenlevingen in de mate dat ‘ze niet worden gedwongen om te handelen tegen hun geloof en hun geweten.’ Wanneer hij daarmee wijst op het recht van godsdienstvrijheid of gewetensvrijheid dan geldt dat voor elke gelovige en ook voor elke ongelovige. Maar erg concreet is hij niet met het benoemen van hetgeen in de westerse samenlevingen onverenigbaar is met het moslimgeloof.

In de studie over Mohammed herkennen we de subtiele vervlechting van traditionele en vrijzinnige elementen in het werk van Ramadan. Zo beweegt hij zich binnen de klassieke overlevering, hij belooft de lezer ‘strikte trouw aan de klassieke biografieën’. Bij veel hervormers, zoals de Tunesische moslimdenker Mohammed Talbi, zien we een zeer kritische benadering van de mondelinge overlevering van het leven van Mohammed (de zogenaamde hadiths). De Koran is volgens hem authentiek, maar dat geldt niet voor de overleveringen: ‘Die zijn al vanaf het allereerste begin omstreden. Sommige van de hadiths spreken elkaar tegen, anderen zijn absurd.’ Zulke overwegingen treffen we niet bij Ramadan aan: hij gaat op kousevoeten en volgt inderdaad strikt de bronnen.

Tegelijk maakt hij zijn Mohammed tot een voorbeeldige vernieuwer, die ruimdenkend genoeg was om verdraagzaam te kunnen zijn tegenover anderen die niet deelden in zijn geloof. En die bovendien de culturele praktijken in zijn eigen tijd voortdurend kritisch beoordeelde. Dat is wat Ramadan ook voor ogen staat. Om trouw te blijven aan de universele opdracht van de islam en om open te staan voor andere culturen, moeten geloof en cultuur worden gescheiden. Telkens moet de gelovige worden uitgenodigd om de aannames van zijn eigen samenleving te overdenken.

Ramadan wil Mohammed uitdrukkelijk in zijn menselijke zwakte laten zien: ‘Dat deze man was uitverkoren en geïnspireerd door God maar tegelijkertijd ook volledig zijn eigen menselijkheid aanvaardde, maakt Mohammed tot een voorbeeld en een gids voor de gelovige moslim.’ De gedachte achter deze humanistische uitleg is duidelijk: door de feilbaarheid van de profeet onder ogen te zien ontstaat een vrijheid voor moslims om zelf te denken en te duiden.

Slaagt Ramadan in deze zelfgekozen opdracht? De onzekere zoektocht van Mohammed vanaf de eerste openbaringen tot de stichting van zijn rijk maken het historische drama van de geboorte van een wereldgodsdienst inzichtelijk. En hij vindt de woorden om de spirituele kern van Mohammeds boodschap over te dragen, waarbij de gelijkwaardigheid van mensen tegenover God wordt benadrukt, maar ook het geloof allereerst als een vorm van zelfbeheersing wordt gepresenteerd. Hij maakt duidelijk dat een waarachtig geloof niet te verzoenen is met gelatenheid. Zo schrijft hij over de moslimgemeenschap in Medina: ‘God begeleidde hun lot enkel in de mate waarin ze zich er zelf voor verantwoordelijk voelden.’ Niemand kan zijn verantwoordelijkheid ontkennen met een beroep op hogere machten.

Het is een toegewijd portret van Mohammed dat Ramadan ons voorhoudt, maar op verschillende momenten toont hij zich te zeer gegijzeld door de historische grootheid van Mohammed om diens menselijke zwakten werkelijk tot zijn recht te laten komen. Wanneer hij spreekt over ‘de diepe spiritualiteit, de volstrekt rationele coherentie, de buitengewone intelligentie en het strategische genie’ van Mohammed, dan dicht hij de profeet een optelsom van deugden toe die niet gemakkelijk samengaan. Zeker wanneer hij daaraan toevoegt dat Mohammed vanaf zijn ‘vroegste jeugd werd beschermd tegen de verleidingen van het kwaad’. Hoezo menselijke zwakheden?

Moraal en macht staan op gespannen voet, net zoals de wending naar het hogere en betrokkenheid in wereldse aangelegenheden niet gemakkelijk samengaan. Het was interessanter geweest wanneer Ramadan deze botsingen inzichtelijk had gemaakt, niet zozeer om de historische prestatie van de grondlegger van de islam te relativeren, maar om diens zoektocht te illustreren. De motieven van vergeving en vergelding zijn beide terug te vinden in diens leven zoals dat uit de overlevering bekend is, maar Ramadan brengt niet alleen overal begrip voor op, maar lost de tegenstrijdigheden op in een te geïdealiseerd portret. Te veel vergeving vermoordt elk verhaal.

Er zijn tal van hervormers die juist een scherpe scheiding aanbrengen tussen de periode dat Mohammed als eenling in Mekka een spirituele boodschap verkondigde en zijn tijd in Medina waar hij langzaam uitgroeide tot een staatsman. Zo herhaalt de Marokkaanse filosoof Filali- Ansary een oude vraag ‘Was de profeet een koning?’ en zegt dat er een wezenlijk verschil is tussen het gezag van de profeet ten opzichte van degenen die zich tot de islam hadden bekeerd, en het gezag van een wereldse autoriteit. Zijn conclusie is dat het religieuze ideaal moet worden losgemaakt van de toevallige historische vormen waarin het zich heeft georganiseerd. Het wordt volgens hem tijd om te erkennen dat de ervaring van de eerste moslimgemeenschap in Medina geen actuele betekenis meer heeft als model.

Opnieuw zien we dat Ramadan nogal timide is vergeleken met zulke vernieuwende stemmen. Zo komen we weliswaar het uitroeien tegen van een rivaliserende joodse stam in Medina, maar dat gebruik van geweld die alle stichters van staten hebben getoond, wordt niet gecontrasteerd met andere eigenschappen. De moslims werden aanvankelijk belaagd door de tribale gemeenschappen van Mekka en Medina en die strijd om het overleven betekende dat geloofsovertuiging en machtsvorming hand in hand gingen. De bewering dat Mohammed ‘altijd zeer genereus en toegeeflijk was na veldslagen’ mist de spanning tussen de spirituele boodschap en de verwerving van wereldse macht.

Zijn studie over Mohammed wil in herinnering roepen hoezeer deze mensen beoordeelde los van hun religieuze overtuiging. Ramadan komt er vaak op terug en schrijft onder meer: ‘Hij bouwde zijn relaties op vertrouwen en het respect van beginselen, niet alleen op basis van een gelijke religieuze overtuiging.’ Hij is zeer kritisch over het ontbreken van een cultuur van dialoog binnen de moslimgemeenschap, die uiteen is gevallen langs verschillende geloofslijnen en langs etnische verschillen. De verkettering in eigen kring viert hoogtij. Ook ontbreekt het aan een vermogen om een dialoog met andere godsdiensten vorm te geven.

Mohammed zoals die wordt geschilderd door Ramadan is drager van een gelijkheidsideaal en grondlegger van een bevrijdingstheologie: ‘In de aanwezigheid van God kan niets discriminatie, onrecht en racisme rechtvaardigen.’ De profeet is in deze optiek uiteindelijk vooral een verzoener. En het moet gezegd dat wanneer meer moslims zich met deze uitleg van Mohammed zouden vereenzelvigen, de hedendaagse spanningen veel minder groot waren dan ze nu zijn.

Samengevat streeft Ramadan naar een normalisering van de aanwezigheid van moslims in het Westen zonder banalisering. Hun rol moet vanzelfsprekend zijn zonder onzichtbaar te hoeven zijn. Hij vindt dat moslims zich moeten inspannen om te getuigen van hun waarden. Op zulke momenten is het duidelijk dat de ietwat calvinistische Ramadan veel vraagt, misschien wel te veel. Het lijkt erop dat zijn oproep vooral gehoor krijgt in een ontwikkelde bovenlaag van moslimjongeren.

Hij zoekt naar woorden om moslims in de westerse wereld zelfvertrouwen te geven en zijn eigentijdse uitleg van het leven en werk van de grondlegger van de islam sluit daar naadloos bij aan. De ambivalenties in het werk van Ramadan horen daarbij, want de brug die hij wil bouwen tussen moslims en hun nieuwe omgeving kan niet zonder de suggestie van gelijke pijlers. Dat hij daarbij in woorden evenveel geeft als neemt hoeft niemand buitensporig te verontrusten, want wie werkelijk deel wil uitmaken van een moderne samenleving, zal er uiteindelijk diepgaand door worden beïnvloed.