Linnaeus was een onderdeurtje

Anna Pavord: Namen noemen. Over het scheppen van orde in het plantenrijk. Vertaald uit het Engels door Dagmar Jeurissen. Anthos, 472 blz. €44,95 (geb.)

Alleen al in Colombia, een van de landen met de rijkste flora ter wereld, zijn in een recente inventarisatie bijna 28.000 verschillende plantensoorten geteld. Stuk voor stuk zijn ze gecatalogiseerd en nog altijd worden er nieuwe soorten ontdekt. Het aantal plantensoorten op de gehele aardbol wordt geschat op minstens 270.000 en mogelijk meer dan 400.000. Die enorme diversiteit zou nooit zo zijn opgevallen als niet alle soorten systematisch waren beschreven.

Het is een lange weg geweest die hiertoe heeft geleid en Anna Pavord, bekend van de cultuurhistorische bestseller De tulp (1999), laat hem beginnen in het oude Griekenland. Pavord koestert een diepe bewondering voor de vroege botanici die met de middelen en kennis van hun tijd de plantenwereld probeerden te doorgronden. Meermaals betitelt zij hen als ‘helden’, alsof zij oorlogen hadden gewonnen of de menselijke beschaving van de ondergang hebben gered.

Theophrastus (372-287) is haar grootste held, en vormt de rode draad in haar boek. Terwijl Theophrastus’ leermeester Aristoteles zich in zijn Peri zoon historia richtte op de beschrijving en indeling van dieren, boog Theophrastus zich over het plantenrijk. In Peri fyton historia noemt hij 500 soorten, het merendeel cultuurplanten. De meeste wilde soorten hadden in die tijd geen naam, omdat niemand er het nut van in zag.

Theophrastus vergelijkt planten en benoemt onderlinge verschillen. Tegelijkertijd probeert hij ook orde te scheppen in de namen ervan, want al snel ervaart hij dat dezelfde planten in verschillende delen van Griekenland andere namen hebben. Hij categoriseerde als eerste planten in logische groepen, zoals de schermbloemigen en de eiken. Maar de kennis van deze Griekse pionier raakte na zijn dood al snel in vergetelheid. Zijn oorspronkelijke manuscripten gingen waarschijnlijk in vlammen op door een grote brand in de bibliotheek van Alexandrië en er was niemand die op zijn systeem voortbouwde. In de Arabische wereld overleefden zijn geschriften wel, maar buiten het zicht van de West-Europese wetenschap.

Pas toen Theodorus Gaza in de tweede helft van 15de eeuw een uit het Midden- Oosten afkomstig manuscript van de bibliotheek van het Vaticaan uit het Grieks vertaalde in het Latijn, kwam Theophrastus weer boven water in Europa. Het markeerde een nieuwe start voor de plantkunde. De nadruk kwam weer meer op eigen onderzoek te liggen in plaats van op het klakkeloos kopiëren van vroegere auteurs, waarbij fouten zich ophoopten.

In 1583 publiceerde de Italiaanse plantkundige Andreas Caesalpinus De Plantis, een baanbrekend herbarium waarin hij de planten rangschikte op basis van de vorm van hun vruchten en zaden. De bestudering van plantenkenmerken werd de basis voor de ordening volgens het systeem van Linnaeus.

Pavord beschrijft uitvoerig hoe toevalligheden en intriges de ontwikkeling van de plantenwetenschap beïnvloedden. Het leest als een spannend verhaal dat telkens onverwachte wendingen neemt. Namen noemen is schitterend geïllustreerd en ook nog eens mooi gedrukt op wat dikker papier, waardoor de kleurrijke illustraties die Pavord verzamelde uit allerlei verschillende historische bronnen extra goed tot hun recht komen.

Helaas heeft het boek ook tekortkomingen. Pavord schrijft als journalist voor onder meer de Britse krant The Independent over tuinieren, een genre waarvoor in geen enkel land zoveel aandacht bestaat als in het Verenigd Koninkrijk. Maar ze is geen historicus en evenmin bioloog. Zo denkt Pavord bijvoorbeeld in de inleiding dat zij bavianen hoort tijdens een voettocht door de jungle van Brits Guyana. Maar bavianen komen alleen in Afrika voor, en dan ook niet in het oerwoud maar op de savanne. Elders noemt zij Frittillaria persica en Frittillaria imperialis kievitsbloemen, terwijl het keizerskronen moeten zijn. De kievitsbloem behoort wel tot hetzelfde geslacht. Haar verhaal stopt abrupt bij de Britse plantkundige John Ray (1627- 1705), alsof bij hem de plantensystematiek op orde was. De fundamentele nieuwe inzichten die daarna zijn gekomen, laat Pavord liggen.

Zo komt Linnaeus pas in de epiloog aan bod. Dat is duidelijk geen held van Pavord. Ze schampert over zijn wetenschappelijke prestaties en hekelt zijn arrogantie. Het is misschien een kwestie van persoonlijke voorkeur, maar hoe kun je in een boek dat gaat over plantennamen de hoofdpersoon zowat weglaten? Linnaeus had zijn tekortkomingen, maar het is zijn naamgevingssysteem dat de basis vormt voor de taxonomie, in de botanie, maar ook in de dierkunde en de microbiologie.

Pavord bekent zich als iemand met een diep gewortelde liefde voor de schoonheid van planten, maar wel een die zich laat leiden door emoties. Daarom is Namen noemen niet het definitieve boek over de geschiedenis van de plantensystematiek.

Morgen in W&O: de erfenis van Linnaeus