Lange mouwen moeten hier

Theatermaker Boukje Schweigman maakte onlangs een korte tournee door het Midden-Oosten met haar solo ‘Wervel’. Een verslag van haar ervaringen in Teheran.

In Teheran speel ik op het universiteitsfestival mijn solo-performance Wervel. Een uur lang draai ik rondjes om mijn as, wat geïnspireerd is door de derwisjdans, een meditatief ritueel van de soefi’s. Het soefisme, een mystieke stroming binnen de islam, vindt haar oorsprong in Perzië, het huidige Iran. Dat maakte dat ik de voorstelling graag hier wil spelen. Door het huidig sjiitische regime wordt het soefisme onderdrukt.

Maandag geef ik een workshop. Ik weet niet goed wat ik moet aantrekken. Eigenlijk wil ik strakke kleding aan, waardoor ik de bewegingsoefeningen goed kan voordoen, maar dat komt niet overeen met de islamitische kledingvoorschriften. Ik doe iets straks aan met lange mouwen, omdat volgens de festivalmedewerkers de voorschriften in gesloten kringen minder nauw worden genomen.

De studenten hunkeren naar fysiek spel. In de voorstellingen die we de avond daarvoor hebben gezien, zagen we dat ze behoorlijk goed realistisch kunnen acteren. Maar ze acteren alleen met hun hoofd, de fysieke benadering is ver te zoeken. Fysiek bewustzijn is nauwelijks ontwikkeld, de oefeningen die zij op school krijgen zijn een ramp. Maar hun inzet is ongelooflijk. Ze willen weten, leren.

„Als ik maar vijf minuten heb voor de voorstelling, hoe kan ik dan in vijf minuten gefocust raken?”

„Martha Graham zegt dat je door te dansen kanker uit je lijf kunt krijgen, wat vind je daarvan?”

Ze willen dansen, ze

willen bewegen, maar ze mogen niet. Doorlopend heerst er angst, voorzichtigheid en de neiging tot aanpassing. Wanneer de studenten een toneelstuk maken, dan hebben ze binnen de universiteit iets meer vrijheid dan in de praktijk, maar de schoolleiding houdt ze scherp in de gaten. Als mannen en vrouwen in een voorstelling elkaar aanraken, dan moet dat er onmiddellijk uit. Als er kritiek op het regime in een voorstelling is verwerkt, dan komen ze in de problemen. Dus maken de studenten stukken over calvinisten in Ierland die worden onderdrukt, of dissidente nonnen in een Middeleeuws klooster in Frankrijk.

Bij het maken van tweetallen worden de mannen en de vrouwen gescheiden. De meiden, allemaal met hoofddoekjes, zijn schuchter, de jongens hebben net wat meer lef. Dat is tijdens de les; op straat vind ik de vrouwen krachtiger dan de mannen.

Ayana, een meisje dat ook bij het festival is betrokken en dat in Duitsland heeft gewoond, helpt me met mijn kostuum. Gelukkig mag ik toch een heel licht hoofddoekje om en mag mijn nek bloot blijven. Sinds het lente is, zijn de regels weer aangescherpt, om te voorkomen dat de vrouwen zich bloter gaan kleden.

De bezoekers zijn erg onder de indruk van Wervel. We krijgen discussies over spiritualiteit en materialisme. Ze zien een cirkel die staat voor eenheid. Het gaat volgens hen over de wereld van het moederschap die volledig is, over een wereld zonder dualisme. Ik zeg dat het voor mij gaat over de nietigheid van de mens.

Ze vragen of mijn

hand- en armbewegingen ook een symboliek hebben. Als ik zeg dat er een intuïtieve logica in zit, die ze verder zelf mogen invullen, lijken ze dat volledig te begrijpen. Dansen met muziek wordt hier gezien als een rituele, religieuze aangelegenheid, en daarom wordt het waarschijnlijk verboden. Nu kom ik hier met een voorstelling die het religieuze aspect bevestigt.

Hoe meer mensen ik spreek, hoe minder ik er van begrijp. De eerste twee dagen mocht ik optreden met mijn hals vrij, met een klein hoofddoekje om. De derde dag spreek ik weer met de ‘Mister President’ van het festival. Hij is ongelofelijk blij met mijn optreden en hoort veel goede reacties, maar of ik misschien niet toch mijn hals wil bedekken en langere mouwen kan aantrekken.

Die avond komt Ayana naar mijn kleedkamer met een coltruitje en een T-shirt met lange mouwen. Festivalprogrammeur Sara is er ook bij. Ik zeg dat ik het coltruitje te warm vind. Dan proberen ze mijn hals te bedekken door de hoofddoek aan de voor en zijkanten aan mijn T-shirt te spelden. Als ik mijn T-shirt aantrek, komen de mouwen net over de pols. Maar als ik mijn armen omhoog doe, kruipt mijn mouw een stukje omhoog. Dat is dus tegen de regels.

Ik doe het voor en we moeten heel hard lachen met z’n drieën. Zij lachen verontschuldigend, omdat er in hun land om dat soort zaken zo moeilijk wordt gedaan. Ik doe een ‘Arabische striptease’ voor ze, waarbij ik langzaam mijn mouw twee centimeter optrek en er sexy bij kijk. Nu moeten ze echt lachen. We laten het T-shirt zoals het was, en breiden alleen de hoofddoek uit.

Wervelen doen Iraniërs wel maar nooit zolang. Dat ik een uur sta te draaien, imponeert ze. Ik was de laatste dag uitgenodigd bij een repetitie van het staatsballet, dat ondanks het dansverbod bestaat. Zij repeteren voor een voorstelling over het leven van Roemi, belangrijke 13e-eeuws Perzisch dichter en soefi mysticus. Ook dat mag. Weer zo’n tegenstelling.

Het is verhalend danstheater, en ja, ze wervelen ook in het stuk. Maar tot mijn verbazing wervelen ze hooguit een minuut of twee achter elkaar. En ze ‘spotten’ erbij! Bij het draaien in het klassieke ballet gebruik je de techniek van ‘spotten’: je focust op één punt, waardoor je hoofd relatief langer stil staat, maar uiteindelijk word je net zo goed duizelig. Bij wervelen moet je juist niet ‘spotten’, je moet juist losraken van de omgeving om het lang vol te kunnen houden.

Vervolgens vragen ze mij of ik wat van mijn beweging aan hen wil leren. Ik doe oefeningen met de dansers, waarbij ze de borst moeten openen. Het viel me op dat ze weinig open schouders hadden, terwijl dat belangrijk is bij wervelen. Ik snap het niet: moet ik het Iraanse Nationale Ballet uitleggen hoe je moet wervelen?

Iraniërs zijn opgegroeid met het wervelen, maar deze zit altijd barstensvol betekenis en lading. De gedichten van allerlei grote Perzische dichters zitten erachter of erin, en het is een religieuze aangelegenheid. Nu zien ze iemand wervelen die het van de betekenis weghaalt. Als ze vragen wat ik er mee bedoel, dan geef ik ze niet echt antwoord. Ik benader het wervelen meer fysiek en laat de duiding bij hunzelf.

Bij de workshop heb ik twee studenten leren kennen, Payam en Amin, die een eigen groep hebben. Ze vragen of ik wil komen kijken. Ergens in een buitenwijk wordt in no time een enorm diner voorgeschoteld, de flessen zelf gestookte wodka worden van stal gehaald en de hoofddoeken kunnen af. We blijken in een ondergronds bolwerk voor bewegingstheater te zijn beland. Universitair docent Hadi werkt met deze jonge mensen aan fysiek theater.

Hun inspiratie scharrelen

ze bij elkaar: door de zeldzame workshops van buitenlanders te volgen, door te lezen, door voort te borduren op wat Hadi nog voor de revolutie heeft geleerd. Ze maken hun voorstellingen in hun eigen atelier en weten dat ze niet in de theaters kunnen optreden.

De bevlogenheid waarmee zij desondanks werken, vind ik verbijsterend. Hoe verwend ben ik wel niet. Ik kan in Nederland de lessen volgen die ik wil, ik kan mijn eigen soort theater ontwikkelen. Vernieuwend theater wordt juist extra ondersteund. Dat is verre van vanzelfsprekend. Ik vraag me af wat ik zou doen als ik hier zou leven; zou ik ook zo vechten en me in zulke bochten wringen om toch nog mijn soort theater te kunnen maken?

Om de Iraanse betrokkenen te beschermen, zijn hun namen veranderd