Laat politici zelf aan het woord

Niet alleen Kamerleden, ook journalisten vinden dat de verslaggeving wordt beheerst door incidenten. Piet Hagen meent dat media meer ruimte bieden aan politici met visie.

Onderzoekers van de Amsterdam School of Communications Research hebben 98 journalisten en 60 Kamerleden ondervraagd over hun opvattingen over de politieke journalistiek. Het resultaat was bedroevend. Tweederde van de politici vindt dat de media te veel macht hebben en driekwart vindt dat de politieke verslaggeving wordt gedomineerd door incidentenjournalistiek. Over hun eigen machtspositie denken journalisten bescheidener (slechts 14 procent vindt dat de media te veel macht hebben), maar de kritiek op de incidentenjacht wordt wel door twee van de drie journalisten onderschreven.

Op het eerste gezicht is het niet verbazingwekkend dat politici negatief oordelen over de pers. Dat is altijd zo geweest. Maar nu valt het oordeel van de politici wel heel negatief uit en blijken veel journalisten hun kritiek te delen.

Het publiek zal veel van deze kritiek herkennen. Politieke discussies worden te snel ingedikt tot ja/nee-vragen van het type ‘Treedt u af?’ In verkiezingstijd kunnen politici nog zulke mooie programma’s schrijven, veel verslaggevers willen alleen weten of ze na de verkiezingen met partij A of B willen regeren. En na afloop van Kamerdebatten mogen de woordvoerders op de roltrap hun rede van een half uur in één zin samenvatten. Soms is zelfs dat te veel moeite en moeten we volstaan met de uitleg van Ferry Mingelen.

Het hier geschetste beeld is gechargeerd. Wie een serieuze krant leest, veel naar Radio 1 luistert, naar Buitenhof kijkt en wat op internet neust, wordt redelijk geïnformeerd over het doen en laten van onze politici – misschien niet beter maar wel breder dan in de tijd van de verzuiling.

Toch is het waar dat de macht in Den Haag verschoven is van de politiek naar de media. Vroeger hadden politieke partijen hun eigen ‘organen’ om hun opvattingen te verbreiden, nu zijn ze sterk afhankelijk van onafhankelijke media. Dat vereist een meer zelfbewust gedrag van politici. Ze moeten zorgen dat ze een goed verhaal hebben en zelf bepalen waar en hoe ze dat aan de man brengen.

Een goed voorbeeld daarvan is Frits Bolkestein, die als leider van de VVD zelf de agenda bepaalde. Daartoe koos hij zorgvuldig een thema dat politiek gewicht had, hij oriënteerde zich gedegen bij binnen- en buitenlandse bronnen en hield dan een rede of schreef een artikel waarmee hij nog wekenlang het debat domineerde. Journalisten die zo dom waren het VVD-congres in Noordwijk te missen of de opiniepagina waarop Bolkestein zijn visie ontvouwde niet te lezen, liepen achter.

Bij die aanpak hoort ook dat je af en toe nee zegt. Als ministers worden uitgenodigd om in een talkshow met vier totaal andere gasten hun visie te onthullen, kunnen ze beter voor de eer bedanken. Laten ze liever een persconferentie geven of een doorwrochte rede houden op een congres en vooraf aan de pers melden dat ze iets belangrijks gaan zeggen. Als ze dan inderdaad iets te vertellen hebben, zullen de media een volgende keer beter opletten. Sturen ze de pers met een kluitje in het riet, dan straft het kwaad zichzelf.

Hetzelfde geldt voor Kamerdebatten. Zorg dat niet alles is voorgekookt of uitgelekt, maar houd de eer aan jezelf en kom met een adembenemend verhaal in de Kamer. Als het debat echt over belangrijke dingen gaat, vult de perstribune zich vanzelf. En als de verslaggever vooraf wil weten hoe de fractie stemt, trek dan het pokerface van Hans Wiegel en zeg: ‘Komt u maar luisteren’.

Ook de media zouden zich moeten inspannen om de kwaliteit van de politieke berichtgeving en meningsvorming te verbeteren. Behalve een iets uitvoeriger berichtgeving over Kamerdebatten – echt niet alles is saai – zou ook eerherstel van het politieke interview kunnen helpen. Dat is een manier om ook minder bekende Kamerleden uit de verf te laten komen. Vraag ze grondig naar hun visie op belangrijke kwesties. Als ze echt een verhaal hebben, maak je nieuws; valt het tegen, dan bewaar je de informatie voor een latere gelegenheid; niet alles hoeft te worden gepubliceerd.

Zonder hun eigen kritische taak te verzuimen, zouden de media politici ook meer ruimte kunnen geven om hun opinies uit te dragen. Niet alles hoeft eerst gefilterd te worden door de interpreterende journalist. Laat politici vaker dan nu gebeurt zelf verwoorden waarom ze iets willen; geef ze iets meer ruimte op opiniepagina’s. Journalisten hebben daarna nog alle ruimte om tegenstanders aan het woord te laten of hun eigen mening te ventileren.

Omdat journalisten van de ontzuilde pers hun partijpolitieke voorkeur voor zich houden, ontbreekt er ook iets aan de politieke meningsvorming. Een journalist kan een professionele analyse maken van een partijcongres, maar de lezer, luisteraar of kijker wil vaak iets meer. Niet alleen afstandelijkheid, maar ook betrokkenheid. Om aan die behoefte tegemoet te komen, zou een krant vaker een partijdige buitenstaander aan het woord kunnen laten komen, oud-politici als Marcel van Dam (de Volkskrant) of insiders als Bart Tromp (Het Parool). Dat gebeurt nu ook wel, maar nog te weinig. Waarom niet zes herkenbare kleuren per week, een mix van liberalen, christen-democraten en sociaal-democraten met uiteenlopende visies? Vanuit hun bij de lezer bekende voorkeur kunnen zulke publicisten een bijdrage leveren aan de discussie, niet alleen tussen, maar ook binnen partijen.

Piet Hagen is auteur van het boek ‘Journalisten in Nederland, een persgeschiedenis in portretten, 1850-2000’.

Het artikel van de Amsterdam School of Communication Research is te lezen op www.nrc.nl/opinie