Klunk

K. Schippers zei dat als je goed keek, alles gekleurd was. Maar als je goed luistert, hoor je ook dat alles geluid geeft. Alles spreekt zijn eigen taal, om met Leopold Bloom te spreken als hij in Ulysses hoort hoe het krantenpapier door de drukpers gaat (sllt). Als mensen geluid maken en dat geluid komt uit hun mond en ze proberen er intelligent bij te kijken, dan is er sprake van een taal en spreken we van spreken. Maar mensen kunnen ook andere geluiden maken die niet tot de taal behoren, en erger misschien, niet in het woordenboek te vinden zijn. De onsmakelijkste geluiden zijn het bekendst (burp! prutprut! pwèèp! smaksmak! splettâh! prwoâârt!) Maar mensen kunnen zich ook op hun hoofd of achter de oren krabben, zeker een betekenisvol geluid, maar hoe schrijf je het op? Hoe vertaal je het naar de wereld van de woorden en de letters? In de literatuur zoek je daar vergeefs naar, maar striptekenaars hebben van de nood een deugd gemaakt en een heel scala aan verletterde geluiden ontwikkeld. Soms zijn ze vrij simpel, krabkrab voor het krabben, plons voor een onvrijwillig bad en pufpuf voor het gepuf en gehijg van joggers op het strand. Als een telefoon overgaat, is het doorgaans met een trriing triing, al moet je voor dat ouderwetse geluid tegenwoordig een speciale ringtone downloaden. Deze stripconventie is allerminst internationaal. In 1995 bracht de Poolse kunstenares Agata Zwierzyñska haar Ten Language Sound Dictionary uit, een cultboek dat inmiddels is uitgegroeid tot het standaardwerk op het gebied van de onomatopeegrafie. Daar vinden we bijvoorbeeld dat plons in het Duits plop is, in het Engels plonch, in het Russisch pljoech, in het Sanskriet tap, in het Iraans sjelep en in het Pools plum. Ieder eendje plonst dus zoals het gebekt is, in iedere taal klinkt het kennelijk weer anders. Een Franse coq zegt cocorico, een Nederlandse haan kukeleku, een Spaanse gallo kikirikiii, terwijl de Engelse cock het heel bekakt houdt op cock-a-doodle-doo. Wie zou ooit kunnen bedenken dat Duitsers niet snurken met een behaaglijk zzzzzz, met daarbij eventueel een verhelderend plaatje van een blok hout dat wordt doorgezaagd, maar met een onwaarschijnlijk en niet te tekenen püüüscht püüüü püüü? Helaas is Zwierzyñska’s woordenboek met 64 bladzijden lang niet volledig. Hoe klinkt bijvoorbeeld een kat die tegen een lantaarnpaal aan loopt? Dankzij stripkat Heinz weten we dat het klunk is. En dankzij Heinz weten we ook hoe een met roet gevulde blaasbalg klinkt die, door een brievenbus gestoken, wordt leeggeblazen in het gelaat van Oom Wim: doef! Dankzij Asterix weten we dat een aanstormende meute Galliërs moet hebben geklonken als: braoeoeem. En dankzij Robbedoes weten we dat een opstijgend schip klinkt als: ffsjjjiiii.

Toch blijven er vragen: hoe klinkt dat in het Italiaans, Chinees of Spaans? Hoe klinkt een Nederlandse drukpers als de Engelse sllt zegt? En hoe klinkt bijvoorbeeld, in alle talen, een koude stethoscoop die op de borst van een patiënt wordt gezet? Hoe klinkt het zomerse ruisen van een knotwilg? Hoe klinkt het scheuren van papier? Het ratelende toetsenbord van een oude laptop? Hoe klinkt het water dat je in de mond loopt? Hoe klinkt zwijgen? We zijn echt hard toe aan een nieuwe en uitgebreide editie van Zwierzyñska’s geluidenwoordenboek.