Identiteit. En kokoskoekjes

Arnon Grunberg laat zich in Beiroet meenemen naar een jongerencentrum. „We hebben mobiele architectuur nodig. Omdat we er altijd van moeten uitgaan dat we weer gebombardeerd zullen worden.”

In het centrum van Beiroet bivakkeren demonstranten nu al wekenlang in tenten. Het centrum is goed gerestaureerd, maar door de demonstraties tegen de regering uitgestorven. Westers aandoende grand cafés en restaurants worden slechts bevolkt door obers en ander personeel. Als ik met mijn gids Dallal langs kom lopen worden we begerig aangestaard, maar ook wij gaan niet naar binnen.

Echt dichtbij de demonstranten, voornamelijk aanhangers van Hezbollah en de christelijke generaal Aoun, kunnen we niet komen, maar dicht genoeg om een glimp van hun dagelijks leven op te vangen. Er zijn geïmproviseerde kookgelegenheden, ik zie een man met potjes en pannetjes sjouwen. Sommige tenten lijken leeg alsof de demonstranten besloten hebben een weekendje naar huis te gaan.

Verreweg de meeste Libanezen die ik spreek vertellen me dat de demonstranten betaald worden door Hezbollah. Ook een demonstrant moet ergens van leven.

Om de demonstranten heen heeft het Libanese leger een cordon aangelegd.

„Waarom zijn hier zoveel soldaten?” vraag ik aan Dallal die zich ontpopt heeft als aanhanger van generaal Aoun. Ik ben tot de conclusie gekomen dat het stellen van naïeve vragen cruciaal kan zijn voor het slagen van mijn missie in Libanon.

„Om te voorkomen dat de verschillende bevolkingsgroepen met elkaar gaan vechten,” zegt ze.

Niet ver van de tenten

in de richting van de zee bevindt zich een enorme krater in de weg. Dit is de plek waar premier Hariri en zijn bodyguards op 14 februari 2005 vermoord zijn. De explosie was zo sterk dat het nabijgelegen en in de burgeroorlog verwoeste hotel George, dat net voor de aanslag geheel gerestaureerd was, opnieuw vernietigd werd. Zolang het internationale onderzoek naar de moord op Hariri loopt is het gebied rondom de krater afgezet. Niet alleen demonstreren, ook sporenonderzoek duurt lang in Libanon.

„Toen ze in het parlement de explosie hoorden, wisten ze meteen dat het Hariri was,” zegt Dallal.

Veel mensen hier praten bij voorkeur over zaken waar ze niet bij zijn geweest alsof ze ooggetuigen waren. Ik vind dit een sympathieke karaktertrek.

Niet ver van de krater, op loopafstand van de demonstranten, is een mausoleum gebouwd voor Hariri en zijn bodyguards. Ironisch genoeg bevindt het mausoleum zich in een tent. De belangstelling is niet meer zo groot als vlak na Hariri’s dood. Ik ben deze zaterdagmiddag een van de weinige bezoekers.

Een van de gevolgen van de moord op Hariri was het vertrek van de Syrische troepen uit Libanon. Niettemin geloven de meeste Libanezen dat Syrië direct of indirect verantwoordelijk is voor de liquidatie van Hariri en zijn lijfwachten.

We rijden terug naar mijn hotel, Mövenpick. Dallal had me graag meer laten zien maar ik heb een afspraak met mijn fixer.

Het is de fixer die mij nader tot Hezbollah zal brengen.

Ik posteer mij in de lobby van het hotel.

Iets te laat verschijnt een jonge vrouw. Ze heet Hwaida en ze stelt voor in de bar van het hotel te gaan zitten.

Hwaida blijkt een shi’iet uit het zuiden van het land te zijn en van beroep is ze freelance fixer. Ze heeft communicatiewetenschappen gestudeerd en werkt ook voor een autobedrijf, maar af en toe regelt ze contacten.

Net als Dallal verwacht ook Hwaida oorlog deze zomer.

„Hoe lang blijf je?” wil ze weten.

„Een weekje,” zeg ik.

Ze kijkt teleurgesteld. „Je moet in ieder geval naar het zuiden,” zegt ze. „Heb je vervoer? Zal ik iets voor je regelen?”

Ik zeg dat ik graag naar het zuiden wil, maar nog geen vervoer heb.

Hwaida is opgetogen.

Ze wil weten wat ik al gezien heb. Ik vertel dat ik die middag het graf van Hariri heb bezocht.

„Hariri was corrupt,” zegt ze, „maar hij heeft ook wat goeds gedaan. De anderen zijn corrupt en doen niets goeds.”

We praten over de geheime vredesonderhandelingen tussen Syrië en Israël waarover de kranten die week uitvoerig bericht hebben. „Als er vrede komt,” zegt ze, „wordt Hezbollah geofferd, maar er komt geen vrede. Weet je wat ik heb gehoord? Dat de volgende oorlog niet in het zuiden zal worden uitgevochten, maar uitsluitend in de Beka’avallei.”

Hwaida en ik het blijken het uitstekend met elkaar te kunnen vinden. De volgende dag om half twee zal ze me met een chauffeur komen afhalen om naar het zuiden te reizen. „Misschien kun je daar wat Hezbollahstrijders ontmoeten,” zegt ze. „Ik regel wel wat.”

Kort na mijn gesprek met Hwaida vallen de lichten in mijn kamer uit. Ik meld het mankement bij de receptie waar ik te horen krijg: „Als u licht wilt hebben in uw kamer moet u de lichten wel eerst aandoen.”

Dit advies maakt berusting in me los en ik besluit een paar uur in het donker door te brengen in de hoop dat het probleem vanzelf zal verdwijnen.

Die avond word ik een door een aardige jongeman genaamd Rani meegenomen naar een bijeenkomst van Studio Beiroet.

In een licht onttakelde ruimte komen jongelui samen en praten wat. Er zijn zelfgemaakte kokoskoekjes.

Dit is Studio Beiroet.

De medewerkers van Studio Beiroet vertellen me dat ze aanvankelijk probeerden een dialoog op gang te brengen tussen de diverse gemeenschappen in Libanon, maar dat ze al snel tot de conclusie kwamen dat er geen gemeenschappelijke basis voor die gesprekken was.

Daarom proberen ze nu gemeenschappelijke ruimte te creëren in de hoop dat gemeenschappelijke ruimte tot een gemeenschappelijk uitgangspunt zal leiden.

Ik neem een kokoskoekje.

„Er is hier niet één verhaal,” zegt een van de jongelui. „Er zijn in Libanon wel achttien verschillende verhalen. Iedere gemeenschap heeft zijn eigen verhaal.”

„En wat is dan de Libanese identiteit?” vraag ik.

„De Libanese identiteit,” zegt Rani, „is de mogelijkheid je aan te passen aan elke identiteit.”

Deze definitie komt me vertrouwd voor.

„We hebben mobiele architectuur nodig,” zegt een van de aanwezigen. „Omdat we er altijd van moeten uitgaan dat we weer gebombardeerd zullen worden.”

„Aanvankelijk waren sommige Libanezen blij met de bombardementen op de shi’itische wijken,” zegt een jonge vrouw. „Ze hebben ons verweten dat we onverschillig waren. De mensen pakten hun spullen en gingen naar de bergen en zetten daar hun leven voort.”

Een ander is het daar niet mee eens: „Tijdens de confrontatie komt er een vorm van solidariteit, maar als de confrontatie voorbij is, is ook de solidariteit weer weg.”

De kokoskoekjes zijn nu op.

„En de rijken?” vraag ik.

„De rijken leven gelukkig samen,” zegt Rani. „Geld doet alle etnische grenzen te niet.”

Met een zekere melancholie laat ik Studio Beiroet achter.

Ik vond de deelnemers aardig en vrolijk op een manier die je elders niet meer vaak tegenkomt.

Rani neemt me mee naar een restaurant dat in de beste buurten van New York niet zou misstaan.

En dan nog naar een dancing genaamd Underground. Wij dansen niet, wij kijken alleen.

Het verschil tussen Tel Aviv en Beiroet lijkt op een avond als deze minimaal.

(wordt vervolgd)