Het gedemoniseerde hoofd

De medicijnen die Gerrit Krol slikt voor zijn Parkinson, zorgen ervoor dat hij geestesverschijningen ziet. In zijn nieuwe roman gaat hij de strijd aan.

Gerrit Krol: Duivelskermis. Querido, 96 blz. € 16,95

Een man gaat naar Limburg om zijn vier jaar geleden vertrokken geliefde op te sporen. In Maastricht belandt hij in een vreemde schoonheidswedstrijd, de Trophé du decolleté. Hij vindt zijn geliefde, die na vier jaar zwangerschap bevalt van een kind. Hij belandt in een gouden koets met een gravin, hij slaapt in een statig pand met een eivormige schoolvriendin en doet het op de hei met een hotelhoudster. Tussen dit alles door beweegt zich een groot aantal geestesverschijningen.

Nu is voor de schrijver Gerrit Krol de meest logische weg tussen twee literaire punten nooit een rechte lijn geweest, maar bij alle zotternij in zijn nieuwe, korte roman zou je je in alle onschuld kunnen afvragen: wat is er met Krol aan de hand?

Maar je weet het antwoord al – en als je het niet zou weten, legt de schrijver het op de achterflap en in een inleiding uit: hij heeft de ziekte van Parkinson. Over die aandoening kan Krol vrolijk en ontspannen schrijven: ‘Bij het oversteken levert de patiënt een gevecht op de toppen van zijn kunnen [...] Zo vraagt de patiënt zich af: welk been zet ik het eerst? Beide? Linke soep.’

Bovendien zijn er medicijnen, maar die hebben bijwerkingen: je gaat er spoken van zien. Mensen, verschijningen die ineens in je kamer zitten, maar die verdwijnen op het moment dat je ze in de ogen kijkt. Binnen de kortste keren zijn ze er echter weer, hoezeer je ook weet dat ze niet bestaan: ‘Ratio legt het af tegen de werkelijkheid.’ Duivelskermis gaat over de gevechten die Krol voert met die demonen – ‘hoe rijker je fantasie, hoe heviger de strijd die je met deze vreemde indringers aangaat. Het is een absurd gevecht dat vaak hilariteit opwekt, maar hoe dan ook niet te winnen is.’

Zo lijkt de roman aanvankelijk een weerslag te zijn van wat een patiënt allemaal aan geestesverschijningen op zich afgevuurd krijgt. De verteller van het boek, een zekere Albert, is Parkinson-patiënt en ziet ze zo nu en dan inderdaad vliegen. En bij geen van de personages in het boek kun je met zekerheid vaststellen of je nog te maken hebt met een echt mens, of dat er een hallucinatie aan de gang is. Dat maakt dat je ook wel eens houvast mist: is het de bedoeling dat we dit ook begrijpen?

Pyjama

In eerste instantie zit het genoegen bij Duivelskermis vooral in een aantal sterke observaties. Zoals het zinnetje ‘Hopelijk is het tijdelijk’ in het afscheidsbriefje van de weggelopen vrouw. Of: ‘We lagen in bed. In pyjama en ook wel zonder pyjama.’ Meliger wordt het in de zijstapjes naar de Trophé du decolleté waarin borstenman Albert belandt: ‘De trampolines staat al klaar.’ Parkinson lijkt hier naadloos over te gaan in die van de ziekte van Middleton – de tietenmanie waarover Krol schreef in zijn gelijknamige roman.

Krol ontregelt en amuseert, maar in de gebeurtenissen is maar moeilijk een lijn te ontdekken. De ellende van zijn hoofdpersoon maakt hij invoelbaar, akkoord, maar dat kan toch niet het hele verhaal zijn?

Dat is het ook niet. In de al genoemde inleiding schrijft Krol over de demonisering van zijn eigen brein: ‘Het is onmogelijk demonen te vormen naar eigen keus. Veel demonen zijn lelijk, gevormd door het toeval, transparant, onmogelijk, primitief.’

Het loont de moeite om de betekenis van die regels even te laten bezinken. Want voor de meeste mensen mag het vanzelf spreken dat de demonen ‘niet naar eigen keus’ gevormd kunnen worden, maar voor een schrijver ligt dat anders. Die weet zich vaker omringd door fictieve figuren, maar dat zijn dan juist altijd figuren die hij zelf heeft bedacht, ‘naar eigen keus’ zogezegd.

Duivelskermis is dus niet zozeer het verhaal van een man die verslag doet van zijn hallucinaties, maar een krachttoer van een schrijver die zijn eigen legertje demonen in stelling brengt. Waarbij onduidelijk blijft wie er de demon is in het verhaal. In eerste instantie zou je denken aan al die rondborstige vrouwen die Albert aantreft in Maastricht, maar je zou Duivelskermis evenzeer kunnen lezen als een verhaal met een demonische hoofdpersoon (‘Soms ben je zelf een demon’, schrijft Krol ook).

Swien’n

Hoe dan ook, in het grootste deel van de roman lijkt Krol erin te slagen de demonen in zijn boek zijn wil op te leggen, alles loopt lekker voor zijn hoofdpersoon: de vrouwen laten hun tieten zien (‘Hier benn’n ze dan, de swien’n van Ome Jan’) en voegen zich ook verder soepeltjes naar de wensen van Albert. En zijn speurtocht naar zijn verloren vriendin Maria Dageraad verloopt wonderbaarlijk succesvol. De tijd lijkt zelfs te hebben stilgestaan: Maria zegt al zwanger te zijn sinds haar verdwijning vier jaar eerder – verwekker onbekend, dat dan weer wel – en zij krijgt het kind praktisch in zijn armen. De demonen houden zich dus aan het scenario, waardoor het lang de trekken heeft van een surrealistische feelgood novel.

Lang, maar niet tot het eind.

Het eerste onheil meldt zich onschuldig, wanneer de ene vrouw over de andere zegt: ‘Je loopt te veel bij die vrouw. Ik wil je waarschuwen Pas op.’ Dan komt het al wat naderbij wanneer de hotelhoudster zich afvraagt wie er sterker is, zij of Albert. Waarna een scène volgt waarin deze Irmgard plotseling vraagt of zij niet iets duivels heeft. En na zijn bevestiging: ‘Ze draaide wat, als een vrouw die in de spiegel geniet van een nieuwe mantel, alleen door ’m even te passen, om te zien of hij haar stond.’ Waaraan hij nog toevoegt: ‘Speels was misschien een beter woord.’ En inderdaad wordt Albert in de slotscène op even speelse als onherroepelijke wijze in de val gelokt.

Met dat illusieloze einde is Krol weer terug bij de tekst op de achterflap van Duivelskermis: hoeveel hilariteit zijn demonen ook op kunnen wekken, de strijd is niet te winnen – hier laat een schrijver zien hoe hem zijn wapens uit handen zijn geslagen.

In een interview over Rondo veneziano (zijn voorlaatste roman) zei Krol dat een van de symptomen van zijn ziekte was dat hij steeds kleiner, en dus onleesbaarder, ging schrijven. En hij voegde daaraan toe: „Ik denk dat ik dit boek net op tijd af heb.” Die roman eindigde nog met een optimistisch beeld: een hoofdpersoon die zich ontworstelde aan het wassende water en die rechtstreeks ten hemel leek te varen. Het einde van Duivelskermis is tegengesteld: Albert eindigt onder de grond en onder de aarde. Dat is een in meerdere opzichten verontrustend slotbeeld.