Het christenhondenlot

Laura van den Broek en Maaike Jacobs: Christenslaven. De slavernij-ervaringen van Cornelis Stout in Algiers (1678-1743) en Maria ter Meetelen in Marokko (1731-1743). Walburg Pers/Linschoten-Vereeniging, 369 blz. €32,95

Tussen de 16de en 19de eeuw hebben ongeveer een miljoen Europeanen enige tijd in slavernij in Noord-Afrika doorgebracht. Barbarijse kapers uit steden als Salé, Oran, Algiers en Tunis voeren van de Middellandse Zee tot aan de Ierse Zee om handelschepen uit christelijke landen te veroveren. De lading en de opvarenden, werden op de markt in de thuishaven aan de hoogstbiedende verkocht.

Lang is binnen het discours over de slavernij geen aandacht geweest voor deze ongelukkige Europeanen. Maar met Christian Slaves, Muslim Masters (2004) van Robert Davis en White Gold (2005) van Giles Milton is wel een begin gemaakt met de beschrijving daarvan. Bezorgers Laura van den Broek en Maaike Jacobs hebben nu met Christenslaven een Nederlands hoofdstuk toegevoegd aan het verhaal over blanke slaven in Noord-Afrika.

De Nederlanders Cornelis Stout en Maria ter Meetelen overleefden hun gedwongen verblijf bij de ‘Turcken’ en stelden terug in Nederland hun belevenissen op schrift. Van Stouts verhaal is alleen een handschrift overgeleverd. De avonturen van Ter Meetelen zijn in boekvorm verschenen. Van den Broek en Jacobs hebben een heldere inleiding geschreven bij de oorspronkelijke teksten.

Uit de memoires komt één belangrijk verschil naar voren met de Afrikaanse slaven op Europese plantages in de West: de laatsten maakten geen kans op vrijlating. Stout, Ter Meetelen en de hunnen hoopten dag in dag uit op een schip uit Nederland met losgeld.

Cornelis Stout was een kuiper uit Schiedam, die in 1678 besloot met zijn vrouw en kinderen een nieuw bestaan op te bouwen in Suriname. Het schip waarop ze als passagiers meevoeren, werd gekaapt en de familie werd te koop aangeboden op de markt van Tunis. Omdat niemand voldoende wilde betalen, nam de kapitein van het kaperschip de Nederlanders zelf in huis.

Ruim een jaar zuchtte de familie Stout onder het tirannieke gezag van ‘de patroon Grande’, een oude Griekse renegaat die getrouwd was met de moeder van de kapitein. Als Stout klaagt dat hij het zware lichamelijke werk niet meer volhoudt, voegt de Griek hem toe: ‘Ghij most braaff wercken hondt, het sal wel overgaan’. De Tunesiërs proberen Stouts dochter Jacomina te bekeren tot de islam. Ze weken haar los van haar familie, maar de lijfstraffen die Jacomina moet ondergaan, drijven haar terug in de armen van haar ouders.

De Stouts hebben geluk, want al na een jaar verschijnt een schip op de kade dat met collectes bij elkaar gebracht geld meevoert. Stout rent met het goede nieuws onmiddellijk naar zijn vrouw. ‘Kom Christina, wij sijn vrij, wij sijn vrij, com geeft mijn het kleinste kind en laat ons gaan.’

Maria ter Meetelen had minder geluk, zo blijkt uit haar in 1748 verschenen herinneringen Wonderbaarlyke en merckwaardige gevallen van een twaalfjarige slaverny van een vrouspersoon genaemt Maria ter Meetelen. Ter Meetelen was een avonturier in hart en nieren. Toen ze 21 jaar oud was, reisde ze verkleed als man over land naar Spanje. Daar nam ze dienst bij een eenheid cavaleristen. Ze werd al snel ontmaskerd en ging vervolgens in Madrid het klooster in. In 1728 trouwde ze met een Nederlandse kapitein. Maar op hun eerste gezamenlijke reis werd hun schip gekaapt en werd het paar afgevoerd naar Salé, waar haar man na een korte ziekte overleed.

Ter Meetelen stond er alleen voor, maar liet zich niet uit het veld slaan. Ze slaagde erin aan het hof van de Marokkaanse koning binnen te komen, en wist op hem en zijn opvolgers een zekere invloed uit te oefenen. ‘Die christenvrouw is waardig om een princes te weesen’, tekende ze op uit de mond van koning Moelay al-Mostadi. Uiteindelijk zou Ter Meetelen, hertrouwd en moeder van een aantal kinderen, eind 1742 geruild worden tegen een groep gevangen moslims. Ze is blij dat ze de vreemde moslimwereld eindelijk kan verlaten. ‘Ik dank hertelyk den Heer, voor syne genaden dat hy ons met groote lof uyt ons slaverny met onse kinderen heeft verlost’.

Christenslaven geeft de lezer een indringend inzicht in de omstandigheden waaronder Europese slaven in Afrika moesten leven. Het wachten is nu op een overzichtswerk dat dit fenomeen uitputtender in kaart brengt.