Gezellig

Het voordeel van zo’n P.C. Hooftprijs is dat hij je kan inspireren tot het (her)lezen van het werk van de laureaat. Biesheuvel had ik al lang niet meer gelezen, daarom wilde ik weer eens in onder meer In de bovenkooi duiken. Dat bleek makkelijker voorgenomen dan gedaan. Mijn zesde druk uit 1974 – het boek verscheen twee jaar eerder – stortte onmiddellijk in elkaar toen ik het uit de boekenkast pakte. Dat het de uitgever zelf, Meulenhoff, later niet veel beter is vergaan, kan hieruit misschien mede verklaard worden.

Ik besloot alleen de pagina met aanbevelingen te redden, vooral omdat die van Renate Rubinstein in Vrij Nederland zo aardig was: „De meesten zijn al blij als ze één goed verhaal geschreven hebben, maar bij Biesheuvel kan het niet op. Een meesterlijk boek.”

Ik moest dus op zoek naar een nieuwe editie van dit meesterlijke boek, en ik vond die in de ramsj: daar circuleert voor vier euro een pocket met de 21ste druk uit 2003. Daarin las ik voor het eerst een voorwoord van Biesheuvel, waarin hij uitlegt dat hij er vanaf de dertiende druk „twee dwaze, onmogelijke verhalen” (Suzanne en De vijver) heeft uitgegooid en één kort verhaal, Schip in dok, toegevoegd. Ik kende dat verhaal niet en begon het meteen nieuwsgierig te lezen. (Het is ook opgenomen in de bloemlezing Zeeverhalen.)

Schip in dok is een mooie jeugdherinnering aan zijn vader, „een heel stille man, geen feestvierder, geen redenaar. Hij werkte op de werf van Wilton in Schiedam.” Het verhaal is één korte, ontroerende ode aan iemand bij wie Biesheuvel zich als kind geweldig op zijn gemak moet hebben gevoeld. „God, wat hield ik van mijn vader. Ik wilde later net als hij zijn.” De vader laat hem de werf zien en Biesheuvel besluit met de regels: „Vader, ik ben zo gelukkig”, zei ik. Hij glimlachte verlegen, rechtte zijn hoofd zodat hij het stootte tegen de onderkant van het schip. „Je bent een malle jongen”, zei hij, „en nu gaan we naar de afdeling machinebouw…”

Misschien is dit verhaal, in heel zijn beknoptheid, wel een sleutelverhaal in het oeuvre van Biesheuvel, en wilde hij het, onbewust, daarom zo graag aan In de bovenkooi toevoegen.

Zijn hele werk ademt het verlangen naar geborgenheid, steeds weer zoekt hij de mensen – zijn vrouw Eva voorop – en de omstandigheden die daarin kunnen voorzien. Arnon Grunberg noemde het onlangs in deze krant „een hang naar het normale”, ik zou het liever „een hang naar het vertrouwde” noemen.

In veel van zijn verhalen probeert Biesheuvel een sfeer van, al dan niet geromantiseerde, knusheid op te roepen. In dat opzicht hoort hij als schrijver erg bij Nederland, een land dat graag ‘gezellig’ wil zijn. Veel potkachels, poezen en warme billen (die van Eva uiteraard) in deze verhalen.

Biesheuvel is manisch-depressief, „ik ben twee maanden somber en dan een week vrolijk”, zei hij gisteren nog in Het Parool. De knusheid van het vertrouwde moet de altijd op de loer liggende waanzin op afstand houden. Zijn verhalen zijn bezweringen van een naderend onheil.

(Her)lees het verhaal Poes op tafel uit De verpletterende werkelijkheid! Daarin komt alles samen. De idylle van een verblijf in een huisje in een Zeeuwse polder, en tegelijk het besef dat het maar tijdelijk is – dat gezelligheid vooral een illusie is en wel degelijk haar tijd kent.