Geld, God en kunst

Tim Parks: Het Medicigeld. Bankieren, metafysica en kunst in het Florence van de vijftiende eeuw. Arbeiderspers, 272 blz. €18,95

Hoe kan men geld met geld verdienen en toch in de hemel komen? In zijn meeslepende Het Medicigeld laat Tim Parks zien hoe 15de-eeuwse kooplieden en kerkvorsten met gewiekste bankierstrucs en staaltjes van theologische redeneerkunst een uitweg vonden uit dit dilemma. Immers, geld lenen tegen rente was woeker, en woeker gold als een doodzondel.

Het waren niet de Medici die het complexe systeem van wisselbrieven, deposito’s, financiële driehoeksrelaties en koersrekeningen be dachten. Toen stamvader Giovanni di Bicci in 1397 het eerste filiaal van de bank in Florence oprichtte, kon hij voortbouwen op een Italiaanse traditie van internationaal bankieren. Maar de Medici-holding deed wel de culturele, economische en bovenal politieke wereld van Florence op zijn grondvesten schudden. De Medici en de pausen werden twee handen op een buik en vonden in de wereld van kunst en schoonheid een vrijbrief voor hun financiële (wan)praktijken: door kunstopdrachten kochten ze de woekerzonde af. Zo slaan de kunsten – schilderkunst, architectuur, poëzie – een brug tussen twee schijnbaar onverenigbare fenomenen: geld en God.

Het politieke genie Cosimo de’ Medici (1389-1464) financierde de restauratie van de San Marco in ruil voor pauselijke absolutie. Zijn kleinzoon Lorenzo Il Magnifico (1449-1492) verzamelde de fine fleur van Italiaanse humanisten en kunstenaars om zich heen en wist door een uitgekiend mecenaat zowel het Florentijnse stadsbestuur als de Roomse kerk aan zich te binden. ‘De paus slaapt met Lorenzo’, smaalde een tijdgenoot.

Het Medicigeld is een familiesaga vol tragiek en dramatiek, over de politieke opkomst en ondergang van een vijftal generaties jichtige mannen, die zich opwerken van burgerlijke middenstanders tot aristocratische alleenheersers. Op het toppunt van de roem circuleren geld en goederen van de Medici door heel Europa, schrijft Parks, maar kunnen de kromgetrokken bankiers nauwelijks hun eigen trap meer op.

Het honderdjarig bestaan heeft de Medicibank net niet kunnen vieren. Politieke spanningen, financieel wanbeleid, failliete crediteuren en zwak leiderschap brachten de vestigingen in Londen, Brugge, Venetië en elders in Europa aan de rand van de afgrond.

In 1494 sloeg Piero de’ Medici op de vlucht voor de opstandige Florentijnse burgers die het Palazzo Medici plunderden, het archief versnipperden, schilderijen en tapijten vernielden, beelden kapot sloegen. Florence had even genoeg van de Medici.

Twintig jaar later keerde de familie in de stad terug, niet als bankiers, maar als groothertogen van Toscane. Die titel hadden ze te danken aan hun goede relaties met het Vaticaan, waar inmiddels Giovanni de’ Medici, een zoon van Il Magnifico, als paus Leo X de scepter zwaaide.