Elke stad z’n eigen museum (vervolg)

Wat moet er straks in het nationale Huis der Geschiedenis worden tentoongesteld?

De vraag is natuurlijk te algemeen gesteld. De vraag moet luiden: Wat gaan ze in Den Haag tentoonstellen als ze daar dat museum krijgen? Wat in Arnhem? Wat in Amsterdam? Wat in Utrecht? Wat in Almere, dat zich gisteren nog kandidaat stelde? Wat in Nijmegen?

Nou ja, Nijmegen lijkt me voor de hand te liggen. In Nijmegen moeten ze uiteraard de luxe slaapbus exposeren waarin Thom de Graaf zich in het vroege voorjaar van 2005 wekenlang van hot naar her liet rijden om in alle stadjes, dorpen en negorijen de bevolking wakker te schudden voor het idee van een gekozen burgemeester.

Thom was toen nog bewindspersoon in het tweede kabinet-Balkenende (bestuurlijke vernieuwing, als ik het goed heb. En kreeg je daar in die dagen Aruba en Curaçao niet automatisch bij?) dus hij had alle tijd, ontving soms ook bekende gasten in de touringcar, en vertelde ’s avonds op televisie dat wij het enige land in Europa waren waar het staatshoofd de burgemeester benoemde, en dat hij ons als een Mozes uit die staat van achterlijkheid zou leiden door desnoods veertig jaar lang in die bus te blijven rondrijden.

Maar helaas. Hij had, wat je wel vaker meemaakt bij pioniers, onze achterlijkheid onderschat. Hij had in ieder geval geen rekening gehouden met de Partij van de Arbeid die langs democratische weg de vernieuwing tot zinken bracht.

Als een verbitterd man nam hij ontslag, teerde in op zijn wachtgeld, en liet zich een jaar later gedesillusioneerd benoemen tot burgemeester van Nijmegen.

Bij wijze van symbool zou ik de bus van Thom de Graaf – aangenomen dat het Rijk het voertuig niet voor een paar centen heeft verpatst – als enige voorwerp in het Nijmeegse Huis willen neerzetten. Je kunt zo’n museum naar de waan van de dag natuurlijk ook interactief volpimpen met Bataafse stenen uit de tijd van Julius Civilis, bidstoeltjes van Karel de Grote, fragmenten uit Een brug te ver en Vierdaagsespeldjes – maar dan eindig je onherroepelijk waar de oude Jan Romein al voor waarschuwde: de vergruizing.

Alléén die bus. Je moet je het esthetisch effect eens voorstellen: één bus in een reusachtige ruimte, met op z’n ergst een klein verklarend bordje met jaartallen en wapenfeiten.

Als symbool van wat dan precies?, wil iemand weten.

Ja, dat is nou het aardige van de geschiedenis: dat elk feit als het ware z’n eigen interpretatie kan uitlokken. Die touringcar mag daar van mij staan voor een lange, Hollandse traditie van bestuurlijke en politieke labbekakkerigheid. Maar hij representeert als u een alternatief wilt ook de volharding van de man die elke dag maar weer in die verdomde bus stapte om zijn boodschap te verkondigen.

Ik bedoel: niet alles hoeft meteen te lukken. Hans Brinker kon met één vinger in het gat van de dijk een hele stad van de ondergang redden. Thom de Graaf verdronk. Maar toen ze zijn overdrachtelijke hulsel vonden, stak zijn overdrachtelijke vinger misschien nog steeds in het dijkgat. Gesjeesd. Maar geprobeerd.

Of neem Almere. Zeker museaal is daar de droogmaler natuurlijk het vanzelfsprekende embleem. Let wel, ook hier: één droogmaler. En die kan het half-Amerikaanse frontiergevoel uitdrukken (ze hebben daar ook niet voor niets een ‘filmwijk’, ofschoon de bijbehorende industrie volgens mij allang failliet is) waarmee de gemeente graag te koop loopt. Maar voor hetzelfde geld symboliseert hij de manier waarop de plaatselijke burgemeestersfamilie frauduleus grondwater oppompte om voor een koopje aan koeling te komen.

Onthoud, Plasterk: elke stad z’n eigen museum, één paradigmatisch voorwerp, en duizend duidingen. Net als in de ministerraad.

Lees eerdere columns van Jan Blokker op www.nrc.nl/blokker