Een trein met zes miljoen paperclips

Toneel: Lieg ik soms? van Laura van Dolron, door het Noord Nederlands Toneel. T/m 3 juni in Bellevue Amsterdam. Inl. www.theaterbellevue.nl.

Toneelregisseur Laura van Dolron (1976) noemt haar voorstellingen „stand up philosophy”, waarin zij hardop nadenkt over haar psyche, over haar rol als kunstenaar, en over haar engagement. Die gedachtes verdeelt ze over een paar personages, die lichtvoetig met elkaar in debat gaan.

In Lieg ik soms? vertellen Joris Smit, Martijn de Rijk en Wolter Muller een Amerikaanse documentaire na, Paperclips, met op de achtergrond een op de swastika lijkende logo gemaakt van vier paperclips. De documentaire gaat over een shoah-project in een klein dorpje in Tennessee. De bewoners verzamelen zes miljoen paperclips, die symbool staan voor de vermoorde joden, en stoppen ze in een authentieke Duitse shoah-treinwagon. Dat is voortaan het dorpsmonument.

Dit op zich al geestige staaltje van holocaustkitsch krijgt nog een laag door de merkwaardige vorm van het navertellen. De spelers bootsen de ‘inteeltkoppen’ van de dorpelingen na en maken hun Zuidelijke accent belachelijk. In hun uitgebreid commentaar maken zij het project en de dweperige documentaire erover met de grond gelijk. Zij hekelen de sentimentele, hysterische, nationalistische aanpak van het project, alsmede het idee dat de Amerikanen de shoah misbruiken om zichzelf goede mensen te voelen. Als de dorpelingen de treinwagon gaan opknappen, schampert een speler: „Pimp my Auschwitz ride!”

Het publiek lacht zich dood om die malle Amerikanen. Een enkeling in de zaal ergert zich echter dood aan het botte anti-Amerikanisme, een hardnekkige vorm van racisme die in Nederland ten onrechte alom gerespecteerd is.

Die enkeling krijgt zijn zin, want na een minuut of veertig, vijfenveertig slaat de stemming om. Van Dolron richt nu de blik op de vertellers, en daarmee op zichzelf. In een prikkelende discussie haalt zij de waarden van de arrogante Noord-Europese denker onderuit: zijn Amerikanenhaat, zijn ijdele zelfhaat, zijn alles vernietigende scepsis, zijn afkeer van idealisme, en vooral zijn gemakzuchtige gebrek aan geloof in de waarheid en het goede.

Van Dolron concludeert dat de Europese scepsis hoe dan ook tot niets goeds leidt. En dat idealisme en fanatiek geloof in het goede weliswaar tot Adolf Hitler kan leiden, maar ook tot Martin Luther King en Mohandas Gandhi.

Van Dolrons essayistisch theater is buitengewoon aanstekelijk, het is alsof je met de spelers op de bank zit televisie te kijken. De toeschouwer moet zich inhouden om niet luidkeels mee te gaan debatteren. Hij zou willen zeggen: het probleem van paperclips is niet de hysterie en de egocentrische borstklopperij van de bewoners, maar het feit dat hun project zinloos en lelijk is. Het paperclipmonument heeft niets met goed doen te maken. Daarom leent de documentaire zich eigenlijk slecht voor een debat over scepsis versus idealisme.