Een glijbaan naar eindeloos geluk?

Je kunt een gedicht ook als een act van een stand-upcomedian van start laten gaan. Overrompelen, met de deur in huis vallen, de zaal meteen inpakken. Bijvoorbeeld zo: zie ik op straat een jongen en een meisje lopen, dan stel ik me meteen voor dat ze met elkaar neuken en zij slikt de pil of zoiets, en dan denk ik – zo, dit is het paradijs. Je hoort het Hans Teeuwen zeggen. Grove bek, spreektaal, geen rijm. Niet meteen wat je je voorstelt bij een gedicht. De Engelse dichter Philip Larkin (1922-1985) schreef het, veertig jaar geleden, in de beginregels van zijn gedicht ‘High windows’. Dit is wat er in het Engels staat: ‘When I see a couple of kids / and guess he’s fucking her and she’s / taking pills or wearing a diaphragm, / I know this is paradise’.

Het klinkt nog steeds snel en levendig, al worden er inmiddels als voorbehoedsmiddel niet veel diaphragms (dalkonschildjes) meer gedragen, maar dat doet er niet zoveel toe. De bedoeling is duidelijk: jong zijn en seks hebben zonder gevolgen, voor het eerst in de geschiedenis, dat werd rond 1966 door de ouderen opgevat als het paradijs waar zij hun hele leven alleen maar van hadden kunnen dromen. ‘This is paradise / everyone old has dreamed of all their lives’. De oudere dichter, vrijgezel gebleven, eenzaam, weinig gelukkig in de liefde, kan er alleen maar met verbazing en jaloezie naar kijken. Al die oude verplichtingen en omtrekkende bewegingen zijn niet meer nodig – aan de kant gezet, overbodig geworden, afgedankt als een oud werktuig, zo’n ouderwetse combine. ‘Bonds and gestures pushed to one side / like an outdated combine harvester’. Mooi beeld. Als je wil kan je er veel symboliek in lezen: er is nu geen ‘combine’ meer en er is geen oogst meer, want er wordt ook niet meer gezaaid. Seks zonder gevolgen, het moet geweldig zijn: ‘and everyone young going down the long slide / to happiness, endlessly.’ Iedereen die nu jong is, kan zo, jippie, de glijbaan af, keer op keer, de lange glijbaan naar eindeloos geluk. En de ouderen staan er maar een beetje bij te kijken, met spijt, meewarig, en voelen zichzelf ook aan de kant gezet als oud gereedschap.

Je zou denken dat er nu een lange klaagzang gaat volgen op deze onrechtvaardigheid. Waarom mogen zij wel de hele dag van de hoge glijbaan en wij vroeger nooit? Of een lange lofzang op vroeger, toen alles toch veel beter was, ook al was er dan geen glijbaan, of alleen een glijbaan met veel roest en splinters en een grote regenplas als je beneden aankwam. Maar dat vervolg blijft uit. Zonder overgang, middenin een regel, springt Larkin een generatie terug, naar de tijd waarin hij zelf jong was. Zou er toen niet ook iemand naar hem hebben gekeken, met eenzelfde mengeling van spijt, jaloezie en verbazing? Toen ging het niet om vrije seks, maar om de bevrijding uit de wurgende omklemming van de kerk en het geloof. Geen god meer, geen angst meer voor hel en verdoemenis, geen vrees meer voor de dominee of de pastoor. Zo moeten ouderen toen naar de bevrijde jongere generatie hebben gekeken: ‘No God any more, or sweating in the dark / about hell and that, or having to hide / what you think of the priest.’ In plaats daarvan hoeven ze alleen nog maar lekker onbezorgd te leven. Zij wel: ‘He / and his lot will all go down the long slide / like free bloody birds.’ Daar is de glijbaan weer. Net als ik stelt Larkin zich het paradijs blijkbaar voor als een grote speeltuin.

Zou het leven zonder ouderwetse godsvrees hem veel vrijheid en vreugde hebben gebracht? De oudere generatie moet dat toen wel hebben aangenomen, maar wat kan hij er nu, veertig jaar later, nog over zeggen? Opnieuw maakt het gedicht een enorme zwiep, een schommelzwaai. Er zou een antwoord moeten volgen, maar er komen geen woorden, ook al klinkt dat wat wonderlijk in een nu eenmaal uit woorden bestaand gedicht. In plaats van woorden dient zich alleen maar, en onmiddellijk, een beeld, een gedachte aan: hoge ramen, door hoge ramen omhoog kijken, zon die door het glas gevangen wordt. Het zouden de ramen van een kerk kunnen zijn. Wat biedt het uitzicht omhoog, nu God niet meer bestaat? ‘And immediately / rather than words comes the thought of high windows: / the sun-comprehending glass, / and beyond it, the deep blue air, that shows / nothing, and is nowhere, and is endless.’ Het is staren in de blauwe lucht, opgaan in het niets, weten dat er niets is, en dat het nergens is, en dat dat voor altijd zo blijft. Daarmee eindigt het gedicht en daarmee laat Larkin ons achter.

Het is verrassend, en verrassend metafysisch, na dat goed te begrijpen begin over het neuken, en het even goed te volgen middenstuk over de kerk. Misschien is het een louter negatieve uitkomst: niets valt er te zeggen, niets staat ons te wachten, er is niets en er zal nooit iets zijn. Staren in een leegte. Als dat de winst is van een leven zonder godsvrees, wat zal dan wel niet bij vergelijking voor de jonge generatie de winst zijn van een leven zonder zwangerschapsvrees? Larkin zegt er niets over, maar erg bemoedigend zal zijn antwoord niet kunnen zijn.

Misschien ziet een andere lezer in dit onthechte slot toch nog een positieve wending: van gore taal naar bijna mystiek, van seks naar azuur, van neukparadijs naar hoge hemel. Een slaking van alle aardse banden, een opvlucht in een Mallarméaans Niets, een verpuring tot lege transcendentie, een sublimatie in en door het Onzegbare. Na de voltooiing van ‘High windows’ krabbelde Larkin, in een kennelijke poging de al te hoog gestemde toon van het slot weer kwijt te raken, deze drie woorden onder de tekst: ‘and fucking piss’. Nog niet zo gemakkelijk te vertalen, maar de bedoeling zal wel duidelijk zijn.