Dr Osterberg & Mr. Pop

Seks, drugs en chaos regeerden de carrière van James Osterberg alias Iggy Pop, de Jekyll & Hyde van de rock ‘n’ roll. Zondag op Pinkpop!

Paul Trynka: Iggy Pop. Open Up And Bleed. Sphere. 450 blz. €25,–

Biografieën van beruchte rockhelden zijn per definitie verdacht. In bijvoorbeeld Hammer of the Gods (over Led Zeppelin) en The Dirt, over Mötley Crüe, beschrijven Jimmy Page, Robert Plant en Crüe-leden Tommy Lee en Nikki Sixx het losbandige gedrag van hun gloriejaren, compleet met precieze aantallen flessen whisky en grammen coke. Ook hun gesprekken weten ze nog woordelijk weer te geven. Je zou zeggen: óf je verkeert in een waas van drank, drugs en seks, óf je weet je de conversaties te herinneren – allebei is niet mogelijk.

De biografie over de Amerikaanse rockzanger Iggy Pop, Open Up And Bleed, geschreven door Paul Trynka, bevindt zich aan de andere kant van het geloofwaardigheidsspectrum. Trynka, journalist van het befaamde Engelse tijdschrift Mojo, baseerde zijn beweringen over Iggy Pop op zo’n 300 interviews met betrokkenen. Uit al deze informatie puzzelde hij Pops leven tot een coherent verhaal. Trynka neemt je mee door de geschiedenis van een van de kleurrijkste en bizarste figuren uit de popgeschiedenis, met diepgang en details. Toch is het verhaal niet levendig genoeg. Wellicht omdat hij uit al die interviews maar weinig citaten woordelijk weergeeft; hij gebruikte ze eerder als informatiebron.

Trynka is er wél in geslaagd zijn biografie tot handzame omvang terug te brengen. Want het leven van Iggy Pop – in 1947 te Ypsilanti, Michigan geboren als James Osterberg, het enig kind van warme, ontwikkelde joodse ouders – had makkelijk vier boeken kunnen opleveren. Te beginnen met de begintijd: Pop als zanger van The Stooges, de band uit Detroit, die met de primitieve oerklanken van nummers als ‘No Fun’ en ‘Search and Destroy’ de hippiedroom aan flarden speelde. Ook de eigen dromen overigens, want na zes jaar viel de band uit elkaar door overmatig drugsgebruik en gebrek aan succes. De tweede belangrijke episode was Pops samenwerking met David Bowie. Hun periode in het nog gedeelde Berlijn, van 1976 tot 1980, is in Trynka’s boek het interessantst: de desolate sfeer, de opnamen in de Hansa-studio bij de wachtposten van de muur, de muzikale kruisbestuiving tussen Pop en Bowie, de discipline die de twee notoire cocaïnegebruikers wisten op te brengen, en de vruchten daarvan: de klassieke albums Low, Heroes en Lodger van Bowie, en The Idiot en Lust For Life van Iggy. Juist in de beschrijving van deze periode snak je naar meer getuigenissen van muzikanten en vrienden.

In de jaren tachtig en negentig slingerde Pop tussen rehabilitatie en desintegratie: hij kreeg erkenning van jongere generaties muzikanten als Sonic Youth en Nirvana en commercieel succes met de cd Brick By Brick (1990) die zijn eerste hit opleverde (‘Love Shack’, gezongen met Kate Pierson van B’52’s). Maar ook deze bloei werd door Pop gesmoord in drugs en chaos.

Het voorlopig laatste tijdvak is de reünie met The Stooges, waar Pop in 2003, na lang aandringen door Stooges-leden Ron en Scott Asheton (respectievelijk gitarist en drummer), mee instemde. The Stooges, met Mike Watt op bas (als invaller van de overleden Dave Alexander) zijn sinds een paar jaar weer op tournee. De band creëerde daarmee een hausse aan media-aandacht en publieke bijval, en onlangs verscheen de nieuwe Stooges-cd, The Weirdness. De matige ontvangst van die plaat weerhield Iggy Pop er niet van zijn 60ste verjaardag, op 21 april, te vieren met een frisse duik in het publiek. Want Jim Osterberg is nog altijd in staat zijn alter ego tot leven te wekken en liveshows te geven die de gemiddelde 20-jarige hem niet nadoet – zoals aanstaande zondag ook op het Pinkpopfestival te zien zal zijn.

Dit boek is niet de levendige geschiedenis die je over Pops leven gehoopt had, maar Trynka stond dan ook voor een zware taak. Want al onthouden we als popliefhebber vooral de sensationele momenten (Pop die in de Toppop-studio het palmendecor omtrekt, Pop die zichzelf met een scheermes in de borst kerft, Pop gekleed in alleen een visnetpanty, dansend over het podium), zijn veertig jaar durende carrière is in de eerste plaats een voortdurende carrousel van wereldtournees, met honderden optredens per jaar. Ook dat wordt routine, zelfs als die door drugsexcessen en een eindeloze aanvoer van groupies gekenmerkt werd.

Kern van het verhaal is Iggy Pops uitzonderlijke persoonlijkheid. Hij wordt door velen beschreven als tweeledig: het is altijd de vraag of je te maken hebt met Jim of met Iggy: Jim Osterberg is de aardige, intelligente man in wie zijn klasgenoten destijds een toekomstige president vermoedden, die antropologie studeerde en graag literatuur bespreekt. Iggy Pop is het ontketende beest, dat zich letterlijk kan opblazen als de Hulk, dat zich van een podium laat vallen ook als er geen publiek staat, dat onvoorstelbare hoeveelheden drugs tot zich neemt – en daar op pure wilskracht uiteindelijk weer van afkickt.

Deze Iggy Pop is niet per se aardig. Maar geliefde Esther Friedmann hield het toch jarenlang met hem uit – als ze hem zag in de kleedkamer na een concert, waar hij het aanbod van minderjarige groupies keurde (‘Jij, jij, jij, de rest kan gaan’), hield ze zich voor ‘Dat is Iggy. Straks is Jim er weer.’

De tweespalt heeft Osterberg zelf ook narigheid bezorgd. Hij verspeelde zijn fortuin en zijn vrienden, leed aan depressies, verwaarloosde zichzelf en leefde soms min of meer op straat. Zijn toestand werd door een behandelend therapeut ooit omschreven als een bipolaire stoornis. Maar omdat Pop er inmiddels, op latere leeftijd, niet veel last meer van heeft, ziet deze dokter het nu eerder als een karaktertrek: Jim Osterberg werd altijd aangetrokken door extremen. Hij experimenteerde met waanzin, gewoon omdat het mogelijk was. En hij keerde terug op het rechte pad, omdat het genoeg was geweest.

Zo slingerde hij van Iggy naar Jim, van afgrond naar hoogtepunt. Hoogtepunt was bijvoorbeeld de hernieuwde roem voor het nummer ‘Lust For Life’, als Leitmotif in de film Trainspotting, in 1996, waardoor het nummer opnieuw een hit werd. Het liedje had natuurlijk gewoon een hit moeten zijn toen het voor het eerst werd uitgebracht in 1977. Maar het verschijnen van Pops plaat viel samen met de dood van Elvis Presley, die ook bij platenmaatschappij RCA zat. Na Elvis’ dood moesten alle RCA-fabrieken zich wijden aan nieuwe persingen van Presleys platen, niemand had aandacht voor Lust For Life, dat dus nauwelijks werd verkocht. Een typisch geval van Iggy-pech.