De Spaanse waas

Hendrik de Vries: Spaanse brieven 1924-1936. Samengesteld door Jan van der Vegt. Meulenhoff, 271 blz. €19,90

In Spanje bestond 80 jaar geleden nog geen massatoerisme. Uit noordelijker streken trokken er wat welgestelde burgers naartoe, per automobiel, want ‘wij willen volk en land vanaf de landweg meemaken. Vanuit het raam van een D-trein kun je er geen beeld van krijgen’, aldus een Duitse reiziger die zijn avontuur zo uitzonderlijk vond, dat hij er na terugkomst een boek over schreef. Hij was een van de velen: alleen al in Duitsland verschenen in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw tientallen van zulke reisverslagen, waarin Spanje steevast werd beschreven als een exotisch oord: ‘Aan de andere kant van de Pyreneeën begint Afrika’.

Naast de gegoede reizigers was er een handjevol minder bemiddelde avonturiers, en de Nederlandse dichter-schilder Hendrik de Vries was daar een van. Hij reisde tussen 1924 en 1936 twaalf keer naar het Iberisch schiereiland, waar hij zich verplaatste met trein en bus en overnachtte in goedkope hotels en pensionnetjes. Zijn ervaringen beschreef hij in brieven, die de indruk wekken dat ook hij aan een publicatie dacht.

Die is er nu met Spaanse brieven 1924-1936. De inleiding van samensteller Jan van der Vegt maakt duidelijk dat De Vries als kind al weg was van Spanje. De afbeeldingen van dansers en stierenvechters die hij in zijn woonplaats Groningen onder ogen kreeg, ontstaken een levenslange passie. Hij las over het land alles waarop hij de hand kon leggen en we kunnen er vanuit gaan dat het romantische gehalte daarvan hoog was. Tijdens zijn eerste bezoek aan Spanje stelde hij vast dat daar over alles ‘een wonderlijk mystisch waas’ hing. De ‘mooiste kinderen ter wereld’ woonden er en over de schoonheid van de vrouwen raakte de reiziger niet uitgepraat. Als vrijzinnig protestant verdiepte hij zich in het Spaanse katholicisme omdat hij daarin een typische uitdrukking zag van de geest van het land.

Zijn reizen waren de zoektocht naar een droom, maar ze waren net zo goed een jaarlijkse vlucht uit de ellende thuis. De Vries wilde voor weinig anders deugen dan voor kunstenaar, en daardoor zat zijn inkomen vast aan een frustrerend baantje onderin de ambtenarenhiërarchie. En dan was er nog zijn moeder, een psychiatrische patiënte voor wie hij een groot deel van de zorg op zich had genomen. De Vries mocht graag generaliseren over Spanje, maar feit blijft dat het er in elk geval ánders was. Omdat hij in zijn brieven, ondanks alle enthousiasme, ook vaak schrijft met afstand en ironie, geven ze nog steeds een mooi inkijkje in een Spanje dat nog niet was ontdekt door de massa’s.