De schok van het verleden

Geschiedschrijving behoort afstandelijk en objectief te zijn. Nee, zegt de Groningse historicus Frank Ankersmit, de directe historische ervaring voegt iets wezenlijks toe en overwint de tijd.

Frank Ankersmit: De sublieme historische ervaring. Historische Uitg. 432 blz. €34,95

In de zomer van 1902 bezocht Johan Huizinga in Brugge een tentoonstelling van oud- Nederlandse kunst. De schilderijen van Van der Weyden, Van der Goes en de gebroeders Van Eyck maakten een ongekende ervaring in hem wakker die hij ‘historische sensatie’ noemde en later niet zonder schroom met een mystieke ervaring zou vergelijken. Zij veranderde de sanskritist die hij van oorsprong was in de historicus wiens naam onverbrekelijk verbonden bleef aan Herfsttij der middeleeuwen.

Ook al verscheen dat boek pas zeventien jaar later, het was gedrenkt in de ervaring die Huizinga in Brugge had overvallen. Zozeer zelfs dat het boek om een andere, impressionistischer en kleuriger stijl vroeg dan zijn eerdere, veel academischere publicaties hadden gehad. Het was alsof hij zijn eigen historische ervaring er in al haar directheid in wilde neerleggen. En juist daardoor kon het boek een mijlpaal worden in de geschiedschrijving van de late Middeleeuwen en ons beeld van de overgangstijd naar de Renaissance voorgoed bepalen.

Toch heeft de historische ervaring, aldus Frank Ankersmit, hoogleraar intellectuele en theoretische geschiedenis in Groningen, onder professionele historici geen goede pers. Huizinga’s eigen schroom om erover te schrijven vormt daarvan al een indicatie. Geschiedschrijving dient het verleden zo juist en objectief mogelijk weer te geven. Daarbij komen bevlogen stemmingen waarin de historicus zich zo direct in contact met het verleden voelt dat hij zich daarin bijna letterlijk verplaatst ziet, onvermijdelijk onder de verdenking te staan van een oncontroleerbaar en dus onwetenschappelijk subjectivisme.

Maar in zijn indrukwekkende boek De sublieme historische ervaring (eerder verschenen in het Engels, maar zozeer aangevuld en herschreven dat we gerust van een nieuw boek mogen spreken) houdt Ankersmit een overtuigend pleidooi voor de rehabilitatie van deze ervaring als de alfa en omega van de geschiedschrijving. Met de schok die de confrontatie met het verleden brengt begint het werk van de historicus immers pas, zoals het voorbeeld van Huizinga aantoont. En tegelijk culmineert het er ook in. Pas wanneer we veel van het verleden weten, kunnen we – als het ware dóór die wetenschap heen – dat verleden opnieuw ervaren als onze werkelijkheid, waarvan we door de tijd tegelijk onherroepelijk gescheiden zijn. De ervaring van het verleden, aldus Ankersmit, is altijd doortrokken van de droefheid om het verlies ervan.

Meerwaarde

Enigszins provocerend pleit Ankersmit dan ook voor een romantisch geschiedbesef, als aanvulling op de objectieve benadering van de professionele historici. Dat betekent niet dat dit besef hun wetenschappelijke werk zou moeten vervangen, zo benadrukt hij. Zijn pleidooi is geen ontwerp voor een nieuwe methodologie. Het wil duidelijk maken waaróm de geschiedenis juist pas in de directe ervaring ermee een echt verleden wordt. Een onmisbare voorwaarde voor goede geschiedschrijving is de historische ervaring dus niet. Wel vertegenwoordigt ze daarin een meerwaarde. De historicus wordt erdoor als het ware zijn onderwerp ingezogen, waardoor hij het plots van binnenuit begrijpt – al zal dat inzicht altijd aan de hand van aantoonbare bewijsstukken plausibel moeten worden gemaakt.

Hoe vreemd dat ook mag klinken, de status van de geschiedenis is immers helemaal niet zo duidelijk. Wat de historicus onderzoekt, is er letterlijk niet meer; het enige materiaal waarover hij beschikt, zijn de resten van een voorgoed teloorgegaan verleden. Strikt wetenschappelijk geredeneerd, verlaat de geschiedschrijving het heden dus eigenlijk nooit. Ze onderzoekt wat we nú over hebben uit een tijd waarheen we ons niet meer kunnen verplaatsen.

Zo verdwijnt dus het verleden uit de geschiedschrijving, aldus Ankersmit, omdat de ervaring daarvan niet meer wetenschappelijk mag meetellen. Dat is geen probleem van de geschiedenis alleen. De ervaring heeft zowel binnen de moderne wetenschap in het algemeen als in de hedendaagse filosofie haar geloofsbrieven verloren. Beide mogen zich dan wel beroepen op een ongeschokt geloof in de empirie, maar in feite wordt de werkelijkheid daarin opgevat als een schouwtoneel waar de denker of wetenschapper tegenover staat.

De verbinding tussen subject en object kan dan alleen nog maar worden gelegd door de taal, waarin de werkelijkheid als het ware al ‘verwerkt’ is. Zo is de filosofie in de 20ste eeuw bijna exclusief taalfilosofie geworden en werd de grondvraag van de wetenschap: ‘Is deze bewering waar of onwaar?’ In de mate waarin de taal de plaats heeft ingenomen van de ervaring, zo concludeert Ankersmit, is de directe, nog niet in woorden gevatte confrontatie tussen mens en wereld uit zicht geraakt.

Met zijn pleidooi voor een eerherstel van de ervaring gaat Ankersmit in tegen vrijwel de gehele moderne filosofie en wetenschapstraditie. Toch heeft het moderne denken sinds de 18de eeuw een achterdeurtje gehad, waarin het kon ontsnappen aan de gouden kooi van taal en denken die de werkelijkheid zo veilig op een afstand hield. In de kunst ontdekten denkers als Kant en vooral Burke een verontrustend verschijnsel: sommige kunstwerken waren eerder schrikwekkend dan aangenaam om te zien, en toch fascineerden ze de beschouwers. Ze noemden dat verschijnsel ‘het sublieme’ – en het is die term die Ankersmit ook voor zijn rehabilitatie van de ervaring reserveert.

Helemaal origineel is hij daar niet in. De Franse filosoof Jean-François Lyotard wees er al eerder op dat de moderne kunst vaak zo verontrustend is omdat ze ons gevoelig maakt voor een wereld die er simpelweg is, nog voordat wij haar hebben bedacht of in woorden ‘getemd’. Zo vanzelfsprekend als dat mag lijken, zo onthutsend is het wanneer wij daarvan plots de consequenties ervaren: plotseling voegt de wereld zich niet meer naar onze voorstelling en verwachting. In haar stoten we op iets hards, dat zich maar niet aan onze wil wenst te onderwerpen, hoe overtuigd we er ook van waren dat we de wereld inmiddels wel onder de duim hadden.

Romantici

Dat sublieme mengsel van delightful terror, zoals Burke het noemde, overvalt ons ook op het moment waarop we direct het verleden ervaren, aldus Ankersmit. Net als bij Huizinga springt het hart op van vreugde om het hervinden van iets waarvan we altijd al een vermoeden hadden, en tegelijk ervaren we direct de afstand ervan, want wat geweest is is er onherroepelijk geweest. Romantisch is die ervaring niet alleen omdat ze verbonden is met de persoonlijke stemming en het gemoed van degene die haar overvalt, maar ook omdat ze onder de Romantici haar eerste en misschien wel beste vertegenwoordigers vond.

Aan pijn om het verleden had de Romantiek immers geen gebrek. Zij ontstond – minstens voor een deel – uit het besef dat de wereld van vóór de Franse Revolutie (en des te meer die van de klassieke oudheid) definitief verleden tijd geworden was. Met haar ervaring van het verleden vermengde zich dus het gevoel van een verlies, waarover 19de-eeuwse geschiedschrijvers als Tocqueville (nog niet aangeraakt door het professionele wetenschappelijke gebod van ik- loze objectiviteit) geen twijfel lieten bestaan.

Vanuit deze ervaring ontstond niet alleen hun werk, maar ook de moderne geschiedschrijving in het algemeen, aldus Ankersmit. Zij wortelde in een trauma waarvoor ze zich vervolgens methodologisch steeds verder is gaan afschermen. In de wetenschappelijke plicht tot objectiviteit is ze evenzeer haar gevoelens over het verleden gaan verbieden als ze haar beoefenaren hun subjectiviteit heeft ontnomen. Geen historicus durft nog met goed fatsoen het woord ‘ik’ te gebruiken.

Toch begint en eindigt alles daarmee, aldus Ankersmit – en ook in zijn eigen boek geeft hij in zijn zoektocht naar de teloor gegane tijd zijn persoonlijkheid op even aangrijpende als innemende wijze bloot. ‘Als kind was ik veel ziek’, schrijft hij als Proustiaanse opmaat naar een beschouwing over de rococo-ornamentalistiek, waar hij op weinig modieuze wijze de lofzang van zingt. In de krullen en mathematische overdaad van deze stijl die zo onlosmakelijk verbonden is met het ancien régime ervaart Ankersmit zelf de ziel van die tijd die hem in veel opzichten liever lijkt te zijn dan die van de Franse Revolutie en haar gevolgen.

Vermoedelijk is dat laatste ook de reden waarom Ankersmit zich in ongewoon harde bewoordingen tégen de Jugendstil keert: ‘een domme, vulgaire en weerzinwekkende karikatuur van de aristocratische elegantie van de rococo’. Men kan daar anders over denken, maar Ankersmit weet zijn emotionele ervaring wél zo te verwoorden dat men haar niet alleen begrijpt, maar ook mét hem de intellectuele verdiensten van de rococo leert zien.

Zo maakt Ankersmit aan de hand van zijn eigen geschiedenis, persoon en ondervinding duidelijk wat hij met historische ervaring bedoelt. Zo persoonlijk als ze is, zo inspirerend werkt ze niettemin uit in de schets van een tijdperk dat onder de pen van de begenadigde historicus een werkelijk verleden wordt.

Wat geldt voor deze, door Ankersmit beschreven en opgeroepen ervaring, geldt ook voor zijn boek als geheel. Breed uitwaaierend, van een imponerende eruditie en onuitputtelijk rijk, wordt het steeds op de rails gehouden door een even helder als bewogen pleidooi voor de ervaring, die zich eigenlijk aan ieder woord onttrekt. Maar in het lezen van het boek laat die ervaring zich op haar eigen manier gelden. Zelden gebeurt het dat een intellectuele verhandeling aangrijpend wordt en de lezer dwingt tot een andere manier van denken en kijken. Die kracht maakt dit boek tot de bekroning van het al zo omvangrijke werk van Ankersmit en tot een van de belangrijkste filosofische boeken die in het afgelopen in Nederland – en daarbuiten - zijn verschenen.