‘De kindertehuizen moeten leeg, maar ze moeten ook vol’

De vraag of een adoptie legaal is of niet, is niet de goede vraag zegt antropologe Pien Bos. Ze ontdekte dat afstandsmoeders in Zuid-India heel vaak niet vrijwillig hebben gekozen.

Utrecht, 25 mei. - Een Indiase moeder eist haar zoon terug die al zes jaar bij Nederlandse adoptieouders woont. Haar kind zou gestolen zijn, verkocht aan een tehuis en illegaal in Nederland geadopteerd zijn. Maar ook bij legale adopties gaat het lang niet altijd om ouders die vrijwillig afstand hebben gedaan van hun kind. Dat zegt Pien Bos, antropologisch onderzoekster aan de Radboud Universiteit in Nijmegen.

Pien Bos verbleef twee jaar in Zuid-India – in Madras, toevallig de stad waar het Nederlandse adoptiekind vandaan komt. Ze deed daar in diverse opvanghuizen onderzoek naar de afstandsprocedure. Bos was speciaal geïnteresseerd in het perspectief van de afstandsmoeders. Ze sprak uitvoerig met tientallen vrouwen die zwanger waren of net bevallen, en die moesten beslissen of ze de afstandsverklaring zouden ondertekenen. Ze sprak ook met vrouwen die in het verleden voor die keuze hadden gestaan en die afstand deden of juist toch besloten hun kind ondanks grote moeilijkheden zelf op te voeden.

Dit soort adoptierellen komt met de regelmaat van klok voor, zegt Pien Bos. En net als nu worden meestal de verkeerde vragen gesteld.

De discussie spitst zich volgens haar bijna altijd toe op de vraag of een adoptie legaal is of illegaal. Maar onderscheid schept een illusie, zegt ze. Een legale adoptie veronderstelt een weloverwogen beslissing van de afstandsmoeder. Maar daarvan blijkt in de praktijk geen sprake.

„Ik startte mijn onderzoek met de veronderstelling dat het bijna uitsluitend zou gaan om ongehuwde moeders”, vertelt de antropologe. „Dat is ook de boodschap van de Nederlandse organisaties die adopties regelen, de vergunninghouders. Het is een comfortabele boodschap die ze brengen: het gaat om ongehuwde vrouwen en in India is ongehuwd moederschap een onmogelijkheid. Dat is de legitimatie van adoptie van kinderen uit India.”

In de praktijk bleken veel van deze vrouwen wel getrouwd. Vaak ook ging het om afstand vanwege het feit dat de baby een meisje was. Die eerste veronderstelling klopte dus niet, maar ook het idee dat er sprake is van een weloverwogen beslissing van moeders die er wel alleen voor stonden, bleek geen stand te houden. Bos concludeert dat het niet de vrouw zelf is die beslist maar haar omgeving inclusief de instelling waar ze verblijft.

„Die vrouwen hebben in feite geen keus. Niet tekenen van de afstandsverklaring is geen optie. Daarvoor is de druk te groot om dat wel te doen.” Ze legt het uit. „Er is paniek. De familie keurt bijvoorbeeld haar seksuele gedragingen af en schaamt zich, zelfs als de vrouw is verkracht. Maar de druk komt ook van een heel andere kant, namelijk uit het opvanghuis. De vrouwen worden voortdurend bestookt met de boodschap dat het geen optie is om het kind te houden. Er wordt vooral benadrukt: je bent ongetrouwd, dat kan niet in India. Adoptie wordt gepresenteerd als manier om zich te rehabiliteren.”

„Daar komt nog bij dat deze vrouwen dankbaar zijn voor de zorg die ze krijgen. En, ook niet onbelangrijk, ze weten dat de organisatie baby’s nodig heeft, want baby’s zorgen voor het inkomen. In feite zwemmen deze moeders in een fuik met maar één uitkomst: het tekenen van de afstandsverklaring. Geen van de tientallen moeders die ik daar zag heeft het kind kunnen houden.”

Tot welke prijs ze tekenen daar weten we nog niet genoeg van, zegt Bos. „Moederliefde is heilige liefde in India. Veel vrouwen die in het verleden afstand deden, schamen zich enorm dat ze niet voor hun eigen kind hebben gezorgd. Er zijn vrouwen die hun hele leven wachten en geloven dat ze hun kind weer zullen zien. De bloedband is wat hen betreft onverbrekelijk.”

Bos heeft ook alleenstaande vrouwen ontmoet die hun kind tegen de verdrukking in wel hebben gehouden en daar een zekere trots en zelfs respect van de omgeving aan ontlenen. Deze vrouwen hadden nooit contact met een organisatie met een adoptievergunning.”

Dat is iets wat we ons moeten realiseren zegt Bos. „Het doel van de adoptieorganisaties is om kinderen uit de tehuizen een plek te geven in een gezin. En terecht, want zo’n tehuis is geen goede omgeving. Maar de tehuizen hebben tegelijkertijd een aanzuigende werking. De tehuizen moeten leeg, maar ze moeten ook vol. Adoptie is tenslotte ook een miljoenenindustrie.”