De gloeiende economie

Zo heet als eind jaren negentig is het nog niet in de Nederlandse economie, maar het begint weer aardig warm te worden. De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) zei gisteren te verwachten dat de Nederlandse economie dit jaar en volgend jaar met 2,9 procent groeit, na over 2006 al een zelfde groeicijfer te hebben laten zien.

Dat is gunstig nieuws. Consumenten en bedrijven hebben in de eerste jaren van de nieuwe eeuw een forse terugval van de groei moeten incasseren. Dat de economie opveert, is een teken dat de vitaliteit is hersteld. Dat is ook te zien aan de verbetering van de internationale concurrentiepositie, met name in de industrie. Tegelijkertijd moet bedacht worden dat een economisch herstel ook simpelweg een onderdeel is van de conjunctuurcyclus, en dus slechts ten dele op het conto van bewust beleid te schrijven valt.

Met het opwarmen van de economie komen oude vragen terug. Hoe te voorkomen dat er, zoals in de vorige periode van hoogconjunctuur, een oververhitting ontstaat die de lonen en prijzen opjaagt? Een dergelijk scenario lijkt nog ver weg. De OESO voorziet een inflatie die ook in 2008 de 2 procent nog niet haalt. De recente geschiedenis leert dat een prijsspiraal weliswaar even op zich kan laten wachten, maar dan alsnog komt. In 2000 en 2001, toen de economie al aan haar retour begon, liep de inflatie op naar rond de 5 procent. De invoering van de euro speelde daar een bijrol in, maar ook zonder die gebeurtenis zou de inflatie sterk zijn opgelopen.

Ook ditmaal zijn er voortekenen. Er ontstaat krapte in de productie en op de arbeidsmarkt. De Nederlandse werkloosheid kan volgens de OESO volgend jaar teruglopen naar gemiddeld 2,8 procent. Dat is de helft lager dan wat in de rijke industrielanden gebruikelijk is. Om te voorkomen dat de krapte leidt tot excessieve loonstijgingen, die op hun beurt weer doorwerken in de consumentenprijzen, waarvoor de werknemers dan weer met extra loonstijgingen gecompenseerd willen worden, zijn er twee standaardremedies die de OESO Nederland ook ditmaal voorschrijft.

De eerste is het vrijmaken van meer arbeidspotentieel. Er staan in Nederland nog altijd veel mensen langs de kant. Dat komt door ziekte en vervroegde pensionering, maar ook door de voorkeur voor deeltijdwerk. Dwang helpt hier vaak niet, maar het kan wel aantrekkelijk worden gemaakt om te gaan werken, te blijven werken of meer te gaan werken. De andere oude bekende is het begrotingssaldo van de overheid. Een van de fouten uit de vorige hoogtijperiode is dat het begrotingsoverschot werd afgeroomd. De verleiding om het geld dat zogenaamd over was te spenderen was te groot, en toen de economische groei wegviel moest daarna draconisch worden bezuinigd. Het nieuwe kabinet zal daarom dit jaar al veel ambitieuzer moeten zijn en moeten streven naar een overschot en niet naar een tekort. De taak voor minister Bos van Financiën wordt daarmee lastiger dan hij al is.