Chroniqueur van ’s hemels plagen

Multatuli noemde hem ‘een literaire zakkenroller’, Geyl achtte hem ‘meer geprezen dan gelezen’. Maar de ‘Historiën’ bewijzen: P.C. Hooft heeft niets aan kracht verloren.

Rechtsboven: Hoofts handschrift. Universiteitsbibliotheek Amsterdam/Bijzondere Collecties Foto’s Maurice Boyer Handschrift van PC Hooft Foto NRC H'Blad Maurice Boyer 070522 Boyer, Maurice

P.C. Hooft: Nederlandse Historiën. Een keuze uit het grote verhaal van de Nederlandse Opstand. Samengesteld, hertaald en toegelicht door Frank van Gestel, Eddy Grootes en Jan de Jongste. Bert Bakker, 346 blz. €24,95 (geb.)

Nog een paar jaar, dan is het vier eeuwen geleden dat Pieter Corneliszoon Hooft, drost van Muiden, baljuw van Gooiland, gastheer van beroemde tijdgenoten in de Muiderkring, dichter, en schrijver van historische treurspelen, definitief het besluit nam om de rest van z’n leven – dat zouden nog bijna dertig jaar blijken – aan de geschiedschrijving te wijden.

Per brief van 19 mei 1618 maakte hij Hugo de Groot deelgenoot van zijn voornemen om aan een groot werk over de recente vaderlandse geschiedenis te beginnen. De brief was nog in het Latijn. Het magnum opus zou geschreven worden in de moedertaal.

Hij nam de tijd voor z’n voorbereidingen. Pas tien jaar later kwamen de eerste zinnen van de Neederlandsche Histoorien op papier. De precieze datum (19 augustus 1628) kennen we dank zij de zorgvuldige en literair altijd hoogstaande brieven waarin Hooft tot het eind aan toe zijn eigen faits et gestes heeft vastgelegd. In 1642 stuurde hij de eerste twintig ‘boeken’ met een opdracht naar stadhouder Frederik Hendrik. Van 1555, het jaar waarin Karel V zijn bezittingen en zijn titels overdroeg aan zijn zoon Filips, was hij gevorderd tot 1584, het jaar van de moord op Willem de Zwijger. Met moeite voltooide hij daarna nog de niet al te bemoedigende episode waarin de verweesde Republiek zich met de Engelse ‘landvoogd’ Leicester probeerde te behelpen. Hij vond nog net de kracht om begin mei 1647 de begrafenis van Frederik Hendrik bij te wonen. Een paar weken later was hij zelf dood. In 1654 verschenen postuum de laatste zeven delen van zijn onvoltooide ‘Historiën’.

Hoe lees je ze, vierhonderd jaar na dato?

Na de mooie, ‘herspelde’ bloemlezing van de dichter Nijhoff (1947) is een nieuwe keuze uit de verhalen gemaakt, in een weer andere vorm die de toegankelijkheid wil dienen, en die een ‘hertaling’ wordt genoemd. De oude vragen hebben daarmee hun actualiteit herkregen. Was het boek dat Albert Verwey honderd jaar geleden prees als ‘nog altijd het in Nederland onovertroffen prozawerk’, een pronkstuk van renaissancistische literatuur? Of was het bovenal het eerste, volwassen bewijs van een nationale geschiedschrijving?

Hooft zelf zal over het antwoord niet geaarzeld hebben.

‘Ik ga een werk aan’, schreef hij in z’n vermaarde aanhef, hier herspeld naar het Nijhoffiaanse voorbeeld, ‘dat opgeleid is van lotswissel en menigerlei geval: gruwzaam van veldslagen, waterstrijden, belegeringen; bitter van twist, warrig van muiterij; beklad van moorddaad buiten de baan des krijgs, wrang van wreedheid, zelfs in de pais. De inboorling onder zweep gebracht, en gedreven tot de wapenen. Voorts verstoren van steden, scheuren van kerken, verwoesten van landschappen, zeden en godsdienst. Terwijl men elkander plaagt, ’s hemels plagen op de hals gehaald: aardbeving, pest, honger, harde winters, hoge watersnood, verdrinking van dorpen, volk en vee. Hoofden van regering verdreven. Alle oorden van Europa vervuld van ballingen. Wetten, overeenkomsten en handvesten met voeten getreden, Twee van de doorluchtigsten der Christenheid en treflijk getal van Edelen op schavotten gestorven. Menigte van mensen omgekomen door beulshanden terzake van het geloof.’

Magistraler flaptekst is sedertdien niet meer geschreven. En alles er in ademt de pelgrimstocht der mensheid, ademt geschiedenis. Het ging de auteur niet alleen om een veldslag zus of een belegering zo, het ging hem ook om de ideologische, de sociale, de ecologische en de culturele gevolgen van de oorlog. Van onze oorlog. Want die was aan de orde. De Tachtigjarige Oorlog die op het moment dat Hooft begon te schrijven al zestig jaar oud was, en die pas vlak na zijn dood eindelijk met een vrede (van Munster) zou worden beslecht. Dat op zichzelf is al opmerkelijk.

Tegen de tijd dat de drost in het zeskantig torentje van het Muiderslot zijn laatste foliovellen volschreef, was voor een grote meerderheid van de Noord-Nederlandse bevolking de Opstand tegen Spanje waarmee alles was begonnen, allang geen levende herinnering meer. Op wat met recht en reden vaderlandse bodem was gaan heten, was van krijgshandelingen sinds mensenheugenis geen sprake meer geweest. Af en toe luidde in de Republiek nog weleens een kerkklok voor een ver weg veroverde stad, of een nog verder weg gewonnen zeeslag. Oorlog was buiten de deur. Thuis hadden de twee miljoen Hollanders, Zeeuwen, Utrechters en overige Nederlanders iets anders aan hun kop: het koopmanschap, de scheepswerven, de handel, de onnoemelijke rijkdommen uit Indië – de Gouden Eeuw kortom.

Kan dat verklaren waarom de Historiën, die de tijdgenoot met trots hadden moeten vervullen over de heldendaden van hun onmiddellijke voorvaderen, nooit een ‘volksboek’ zijn geworden zoals het werk van Loe de Jong – misschien ongelezen, maar wel in ieders kast – in de jaren zeventig en tachtig van de 20ste eeuw op z’n minst het imago kreeg van een volksboek?

Het is mogelijk.

Maar er was nog iets anders en fundamentelers waarmee Hooft welbewust zijn weg naar de volksgunst had versperd. Dat andere was Tacitus.

Volgens Geeraardt Brandt, Hoofts biograaf, heeft de schrijver vóór hij zich in 1628 aan z’n eerste woorden waagde, de complete Tacitus 52 keer gelezen en herlezen, en de Annales, voorzover overgeleverd, tussen de bedrijven door ook nog helemaal vertaald. Dat hij zich de schrijfwijze van de grote Romein ‘eigen’ wilde maken is waarschijnlijk te zwak uitgedrukt. Hij wilde zich met hem, met zijn taal- en woordgebruik, met zijn idioom, met zijn ‘wetenschappelijke’ methode (geschiedenis schrijven sine ira et studio!) en met zijn aristocratische politieke opvattingen zo volledig mogelijk vereenzelvigen.

Er bestond in 1628 nog nauwelijks een traditie in geschreven Nederlands proza. Hooft maakte er eentje. Je mag ook zeggen dat hij er eentje forceerde en dat Tacitus daarbij zijn voorbeeld was. Maar altijd moet daar dan bij gezegd worden dat hij een taal boetseerde die bij alle ogenschijnlijk ‘gekunsteldheid’ en ondanks de iets te grote overvloed aan ablatieven absoluti, na 400 jaar nog niets van haar kracht en haar vitaliteit blijkt te hebben verloren. Ze vergde alleen iets meer geduld dan de meeste lezers wilden oefenen.

Door alle jaren heen is er geklaagd over de ontoegankelijkheid van de Historiën. Verstandige tijdgenoten zagen in één oogopslag dat een willekeurige alinea van Hooft honderd maal meer zeggingskracht had dan wat door nijvere chroniqueurs als Van Reyd, Bor en Van Meteren al eerder over de vroege jaren van de oorlog aan informatie was verzameld en opgeschreven. Maar Van Meterens Nederlantsche Historie van onsen tijden was tot in de 18de eeuw een bestseller – Hooft bleef naar het woord van Geyl ‘meer geprezen dan gelezen’.

De overdaad aan latinismen zouden hem nagedragen blijven tot aan Multatuli toe, die in Idee 1017 nog eens een uitgewerkte concordantie heeft gemaakt van de aanhefteksten van Hooft en Tacitus, en daar (meer uit een soort standshekel aan de deftige drost) bij opschreef: ‘De deugdzame Hooft was niet meer of min dan ’n litterarische zakkeroller’.

Dat Schiller in 1788 voor Abfall der Niederlande wel uit Bor, maar niet uit Hooft als bron putte, was misschien erger. Het bewees dat de geschiedschrijving langzaam maar zeker geschiedwetenschap was geworden, en dat de Historiën die ontwikkeling niet hadden kunnen bijbenen. Wat Hooft in 32 jaar Nederlands verleden aan ‘harde feiten’ had verzameld, was grotendeels aan Bor of Van Meteren ontleend, hoewel . Nog los van de omstandigheid dat hij geen toegang kon krijgen tot de archieven van de stad Amsterdam en van de stadhouder (op dat punt liet de Oranje-eigengereidheid zich dus al in de jaren dertig van de 17de eeuw gelden), was Hooft nooit een echte geschiedvorser geweest. Hij moest het hebben van z’n interpretaties, van z’n uitgesproken regentenopvattingen, van z’n zuinige relatie tot het calvinisme, dat toch zo’n belangrijke drijfveer in de Opstand was geweest – en van z’n letterkundige superioriteit.

Geen historicus raadpleegt Hooft nog om de werkelijkheid van de periode 1555- 1587 te leren kennen. Hoogstens om de werkelijkheid van P.C. Hooft te doorgronden. De dichter bleek het op de lange termijn toch definitief gewonnen te hebben van de historicus. Des te belangrijker de vraag wat Frank van Gestel, Eddy Grootes en Jan de Jongste – twee neerlandici en één geschiedkundige – in een nieuwe uitgave als bloemlezers, toelichters en hertalers met zijn tekst hebben gedaan.

Hun entree is niet erg fortuinlijk. ‘Wie de naam P.C. Hooft aan meer dan een Amsterdamse winkelstraat weet te verbinden’, begint hun Inleiding, ‘zal die waarschijnlijk in de eerste plaats associëren met poëzie, met fraaie sonnetten en speelse liefdesliedjes’. Noopt een winkelstraat tot associaties met Hoofts lyriek?

Erg zorgvuldig wil hun Nederlands niet worden. Als ze aan een verantwoording van hun ‘hertaling’ toe zijn, lezen we – vier eeuwen oude klacht: ,,Meermalen werden lange en ingewikkelde zinnen in stukken geknipt. Hooft gebruikt in zijn zinnen samentrekkingen die naar de huidige normen overspannen aandoen, van het type ‘hier zet men thee en over’. Zonodig zijn die door een invoeging verduidelijkt.’’ De stijlfiguur ‘hier zet men thee en over’ – in een voorbij spraakgebruik aangetrouwde familie van Tante Betje genoemd – kun je moeilijk ‘overspannen’ noemen, en heeft helemaal niets te maken met het soort samentrekkingen waar Hooft op z’n Latijns in grossierde.

Terwijl de indertijd door Nijhoff toegepaste ‘herspelling’ – al was het alleen maar door een vertrouwd woordbeeld – de toegankelijkheid van de tekst onmiddellijk een eind op weg helpt, leiden de ingrepen van Van Gestel, Grootes en De Jongste soms tot grammaticale en idiomatische duisternis die het ‘moeilijke’ origineel naar de kroon steekt.

Eén voorbeeld – over het begin van de Beeldenstorm. In de hertaalde versie lezen we: ‘Maar nauwelijks was Egmond uit Vlaanderen, waarover hij stadhouder was, vertrokken om bij de onderhandeling te Duffel aanwezig te zijn, en zo uit het zicht van het grauw verdwenen, of onbekooktheid, ontslagen van de teugel van zijn tegenwoordigheid en aangemoedigd door het algemene ongenoegen over het Spaanse bewind, kwam tot een uitbarsting in de begeerte om de hand te slaan aan beelden en kruisen die op het platteland langs de wegen stonden. Toen deze geweldplegingen hun niet zuur opbraken, nam de overmoed zo ver toe dat zij, eerst buiten en daarna binnen de steden, [...] alle beelden, schilderijen, sacramentshuisjes, altaren en kerksieraden vernielden of ontheiligden, ja niet nalieten tegen de boekerijen, grafschriften, graven en stoffelijke overschotten tekeer te gaan’.

Brengen deze twee slangenprozazinnen de oude Hooft dichter bij de lezende moderne medemens?

Er is ongetwijfeld met veel inzet aan de bloemlezing gewerkt. Dat de continuïteit van Hoofts geschiedverhaal – via verbindende passages – zoveel mogelijk overeind is gehouden, getuigt van respect voor de historiograaf, maar botst een beetje met de onvermijdelijke vaststelling dat Hooft als historicus de onsterfelijkheid nou juist níet heeft gehaald. Had dan een markante, desnoods eigenwijze keuze uit de literaire hoogtepunten van de Historiën niet een memorabeler editie opgeleverd?

De samenstellers – dat is nog een laatste puntje van kritiek – zijn noch in hun Inleiding, noch in hun tamelijk obligate notenapparaat, erg scheutig geweest met bio- en bibliografische wetenswaardigheden. Hooft als ongodsdienstige regentenzoon, die het haec libertatis ergo (dit doen we omwille van de vrijheid) als motto voor de Opstand altijd zou hebben verkozen boven het haec religionis ergo (dit doen we omwille van de religie), en wiens politieke opvattingen in feite nogal autocratisch waren, had in die hoedanigheden wel wat scherper geïntroduceerd mogen worden.

Vierhonderd jaar oud – dan mogen de herinneringen toch wel weer eens goed opgehaald worden?