Chinezen kunnen ziekenhuis niet betalen

Chinezen kunnen zelfs noodzakelijke medische zorg niet betalen. Ondanks de sterke economische groei is de gezondheidszorg alleen maar verslechterd. Het systeem van verzekeringen faalt.

Het ziekenhuis van het stadje Gaoyang in de Chinese provincie Shaanxi telt tien roestige bedden. Dorpelingen lopen in en uit en staren naar de patiënten die in groezelige werkkleding aan het infuus liggen. Achter een scherm staat een operatietafel met daarboven een antieke lamp. In de kale ruimte stinkt het naar lisol. Op een karretje staan flesjes met een troebele substantie.

Boer Gao (45) is aan zijn blindedarm geopereerd. Hij moest omgerekend honderd euro betalen. Van zijn verzekering kreeg hij 45 euro terug, plus medicijnen voor een week. Gao heeft voor zijn operatie een lening moeten afsluiten bij de boerenleenbank, want hij verdient slechts 200 euro per jaar. Daarvan moeten hij, zijn vrouw en drie kinderen rondkomen.

Ziekenhuisdirecteur Wang Songyuan zegt dat de dorpelingen zich eigenlijk geen enkele behandeling kunnen permitteren. Hij zegt ook dat de regering nauwelijks bijdraagt in de kosten. „Het ziekenhuis draait vooral op de verkoop van medicijnen. Toch zorgen we ervoor dat de boeren niet teveel in rekening wordt gebracht. Ze hebben al zo weinig geld.”

Ook Liu Chunxiu (51) uit het naburige dorpje Pucheng heeft weinig geld. Ze is half blind en ze lijdt aan trombose. Vorig jaar moest ze acuut worden opgenomen. Dat kostte zeventig euro. Omdat ze is aangesloten bij de coöperatieve plattelandsverzekering kreeg ze 35 euro terug.

Liu vindt dat het ziekenhuis wel te hoge prijzen rekent voor geneesmiddelen. Chronisch zieken zoals zij krijgen hun medicijnen niet vergoed, en worden dus in feite aan hun lot overgelaten, zegt ze. Ze heeft 250 euro voor medicijnen moeten lenen bij haar familie. Ze gebruikt nu bloedverdunners die veel goedkoper zijn dan die de dorpsarts voorschreef. „Ik wil niet meer behandeld worden door de dorpsarts en naar het ziekenhuis ga ik nooit meer ”, zegt ze.

De klachten van Gao en Liu zijn kenmerkend voor de medische zorg in China. De meeste mensen kunnen de rekening eenvoudigweg niet betalen. Los daarvan bezorgen uitbuiting, medische blunders en ander uitwassen de gezondheidszorg een slechte reputatie.

Ooit was ‘gratis gezondheidszorg voor iedereen’ het paradepaardje van de communistische partij. Maar met de introductie van de markteconomie in de jaren tachtig kwam daaraan een einde. De landbouwcommunes werden afgeschaft en daarmee viel een reeks sociale voorzieningen weg, inclusief de gratis gezondheidszorg. De lasten zijn nu neergelegd bij de lokale overheden. Bovendien is ook hier het winstprincipe ingevoerd: ziekenhuizen en plattelandsartsen moeten zelf inkomen genereren met behandelingen en met medicijnverkoop.

Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) besteedt China slechts 2,7 procent van zijn overheidsbudget aan gezondheidszorg – veel minder dan het gemiddelde in andere ontwikkelingslanden. Zo’n 80 procent van de boeren en 40 procent van de stedelingen kan zich geen zorg veroorloven. Zeven van de tien patiënten weigert opname omdat het te duur is. Acht van de tien boeren en één op de twee stedelingen zijn onverzekerd.

De situatie is zo alarmerend dat de regering zelf toegeeft dat de slechte medische zorg een belangrijke oorzaak is van verpaupering van het platteland – met de groeiende dreiging van sociale onrust. Onlangs zegde premier Wen Jiabao 168 miljoen euro extra toe. Maar dat is volstrekt onvoldoende om de problemen echt op te lossen. Een commissie moet ingrijpende voorstellen doen aan het Zeventiende Partijcongres dat dit najaar wordt gehouden. De commissie buigt zich over de knelpunten in het huidige systeem, die al aan het licht kwamen bij de SARS-crisis in 2003.

„Ondanks de sterke economische groei (jaarlijks gemiddeld zo’n 10 procent) is de gezondheidszorg alleen maar verslechterd, en is de levensverwachting niet gestegen”, stelt de Nederlander Henk Bekedam vast. Hij is de vertegenwoordiger van de WHO in China.

Na de SARS-crisis in 2003 werd een nieuwe ziektekostenverzekering ingevoerd. Elke burger betaalt jaarlijks een premie van een euro, terwijl de centrale overheid, de provincie, de gemeente en het district gezamenlijk nog eens vier euro bijdragen. Maar kinderen zijn voor die euro niet meeverzekerd. Ook zijn de miljoenen boerenmigranten in de steden alleen verzekerd in het district waar ze staan ingeschreven. Breekt een arbeider zijn been op een bouwplaats in Peking, dan moet hij naar zijn geboortedorp voor behandeling. De eerste hulp in een ziekenhuis in Peking moet hij zelf betalen.

Volgens Bekedam faalt het nieuwe systeem. „Het werd niet op prijs gesteld, maar ik heb hardop gezegd dat de gezondheidszorg in China ziek is. Patiënten zijn onmondig. Artsen kunnen hen gemakkelijk bedonderen. Chronisch zieken zijn op geen enkele wijze financieel gedekt”, zegt hij. „Het systeem werkt alleen maar voor de rijken. Die krijgen dure behandelingen voor een groot deel vergoed, en ze kunnen zich particulier bijverzekeren.

Geldgebrek is niet het probleem voor de overheid. Politiek geharrewar staat snelle besluitvorming in de weg over structurele verbeteringen, zegt Bekedam. „Het ministerie van Gezondheid heeft het niet alleen voor het zeggen. Zeker twaalf afdelingen en ministeries willen hun stempel drukken op de hervormingen.”

„De kernvraag is welke voorzieningen in het basispakket moeten komen en hoe de zorg moet worden gefinancierd: door de overheid als een collectieve voorziening met een premiebijdrage van de burgers, of door particuliere verzekeringsmaatschappijen”, schetst Bekedam.

Hij bepleit een middenweg, zoals het Britse of Zweedse model. „China moet meer investeren in de gezondheidszorg, burgers financieel beschermen en zich richten op preventie en basiszorg”.