Bruss else richtlijnen veranderen de zichtlijnen

Beginnende architecten stuiten op eisen en regels die het moeilijk maken aan grote projecten mee te doen. Speelsheid wordt bedreigd.

Europese richtlijnen maken het voor zowel beginnende als voor gevestigde architecten steeds moeilijker om aan de slag te gaan. Dat zegt Jeroen van Schooten, architect en voorzitter van de Bond van Nederlandse Architecten (BNA).

Weliswaar gaat het op dit moment goed met de Nederlandse architectenbureaus. „Precieze cijfers over omzetten zijn er nog niet”, zegt Van Schooten in een kamer van zijn architectenbureau in Amsterdam. „Maar uitgestelde projecten zijn eindelijk begonnen en van alle collega’s hoor ik dat ze het na een paar magere jaren weer razend druk hebben. Het is nu ook moeilijk om personeel te krijgen.”

Sinds ruim een jaar is Van Schooten nu voorzitter van de BNA, gedurende een tot anderhalve dag per week. De rest van zijn tijd besteedt hij aan het bureau dat hij samen met Roberto Meyer heeft. Ook Meyer Van Schooten, bekend van onder meer het glazen skischoenvormige ING-gebouw langs de A10 in Amsterdam, heeft volop werk.

Maar hoe goed het nu ook gaat met de meeste architectenbureaus, Van Schooten ziet ook minder positieve ontwikkelingen in de branche. Zoals de Europese richtlijnen voor aanbestedingen. Of preciezer: de interpretatie van deze richtlijnen die inhouden dat ieder bureau zich kan inschrijven op opdrachten in EU-landen van overheden en instellingen die met overheidsgeld worden gefinancierd. Elk gebouw waarvan de kosten voor architectendiensten boven de 211.000 euro liggen, moet ‘Europees’ worden aanbesteed.

„Het gaat om raadhuizen, scholen, musea”, zegt Van Schooten. „De interessante opdrachten dus. Het was de bedoeling dat de richtlijnen zouden leiden tot meer concurrentie en transparantie bij aanbestedingen van overheidsgebouwen. Maar ze werken averechts. De Europese richtlijnen voor aanbestedingen worden nu zo geïnterpreteerd dat wie zich als architect wil inschrijven voor het ontwerp van een school een flinke minimum omzet moet hebben en ruime ervaring met scholenbouw. Dit is niet alleen voor kleine beginnende bureaus een probleem, maar ook voor gevestigde architecten.”

Volgens Van Schooten gaat het om een interpretatie „die is uitgegroeid tot standaard”. Voor de organisatie van een prijsvraag voor een nieuw gebouw nemen gemeentes een bouwadviesbureau in de arm en die adviesbureaus hanteren dan heel rigide de richtlijnen.

„Neem de onzinnige omzeteis van meer dan 3 miljoen euro. Hierdoor missen opdrachtgevers jonge bureaus die hun gebrek aan ervaring vaak meer dan compenseren door hun inzet en enthousiasme. Bovendien kan een jong bureau met een kleine omzet voor grote opdrachten gebruikmaken van facilitaire bedrijven.”

Een ander probleem waarmee architectenbureaus kampen is het toenemende aantal nationale en Europese regels in de bouw. Nederlandse architectenbureaus hebben niet alleen te maken met de talloze richtlijnen van het Bouwbesluit en brandweer, politie, verzekeraars en vele andere instellingen, maar ook met Europese richtlijnen voor bijvoorbeeld fijnstof. „Tegen elke regel op zichzelf kan je geen bezwaar hebben”, zegt Van Schooten. „Maar tezamen vormen ze een ongelooflijke berg die het werk steeds moeilijker maakt. Er is bijvoorbeeld een glazenwassersconvenant. Op zichzelf is dit niet onredelijk. Maar het komt wel bij al die andere regels die al bestaan en dat geeft het gevoel dat de regelgeving is doorgeschoten.”

En dan kent de Nederlandse bouw nu ook nog het verschijnsel van de Publiek Sector Comperatorprojecten (PSC) waarmee de Rijksgebouwendienst onlangs is begonnen. Dit houdt in dat vastgoedprojecten worden aanbesteed in een zogenaamde DBFMO-constructie, waarbij de vijf letters staan voor achtereenvolgens Design, Build, Finance, Maintain en Operate. Inschrijvingen op deze projecten worden beoordeeld op alle vijf criteria. Meyer en Van Schooten zijn betrokken bij een pilotproject dat met zo’n geïntegreerd DBFMO-contract wordt uitgevoerd: de verbouwing van het gebouw van het ministerie van Financiën in Den Haag, die wordt begeleid door de Rijksgebouwendienst. Van Schooten: „Het idee is dat de bedrijven die zich verenigen in een consortium dat zich inschrijft profiteren van elkaars kennis. Voor het Rijk betekent het dat het beheer en beveiliging van ministeries niet meer zelf hoeft te organiseren, dat is allemaal uitbesteed.”

Belangrijkste verschil met vroeger is dat niet de Rijksgebouwendienst de architect kiest, maar het consortium dat zich heeft ingeschreven voor het DBFMO-project. Ook de volgorde van ontwerpbesluiten verandert. Vroeger begon een project met stedenbouw, vervolgens kwam de architectuur en ten slotte het beheer. Nu gebeurt dat allemaal in één keer.

„Nu al kan je vaststellen dat aanbesteding in DBFMO-constructies geweldig gecompliceerd is. Het boek met outputspecificaties voor de verbouwing van het ministerie van Financiën omvat duizenden bladzijden en moet 25 jaar geldig zijn. Zo’n boek maken is een gigantisch karwei. De vraag is of ieder schoolbestuur straks een boek kan schrijven vol specificaties die 25 jaar geldig zijn. Inschrijven op DBFMO-projecten brengt ook kolossale voorbereidingskosten van de inschrijvers met zich mee. Daardoor blijven er maar een paar bouwers van dergelijke projecten over.” Van Schooten wijst op het gevaar dat er een standaard DBFMO-boek komt dat, net als nu de Europese aanbestedingsregels, steeds wordt herhaald. „Dat leidt tot verschraling.”

Alle wijzigingen in aanbestedingen, regelgeving en ontwerp- en bouwpraktijken vonden sluipenderwijs plaats, zegt Van Schooten. Maar ze hebben ervoor gezorgd dat de positie van de architect de laatste tien jaar grondig is veranderd in Nederland.

‘Ons eerste project van enige omvang was begin jaren negentig een blok woningen in de Verspuccistraat in Amsterdam. Roberto Meyer en ik waren nauwelijks dertig en we moesten alles, van a tot z, doen van de woningbouwvereniging die ons de opdracht gaf. En we waren niet het enige jonge architectenbureau dat zo’n grote, alomvattende opdracht kreeg. Die sfeer is verdwenen. Jonge architecten krijgen nu niet meer dergelijke kansen. Ze hebben het veel moeilijker. De vraag is natuurlijk: willen we dit? Niemand heeft hier bewust voor gekozen. Een debat hierover is hoognodig.”