Alles moet anders

Dankzij de Beeldend Kunstenaars Regeling (BKR) kon ik in de jaren tachtig naar New York reizen en daar mijn carrière beginnen. Toen ik in de jaren negentig begon door te breken en mijn werk vooral buiten Nederland geëxposeerd werd, kon ik het financieel redden door af en toe een subsidie aan te vragen bij het Fonds BKVB. Nu kan ik al jaren heel goed van mijn werk leven. Sterker: via mijn belastingen heb ik inmiddels een veelvoud van al mijn ontvangen subsidies terugbetaald aan het rijk.

In de recente discussie over het Nederlandse kunstsubsidiestelsel (Cultureel Supplement, 18 mei) wordt steeds gesteld dat ons systeem meer kwaad doet dan goed, en dat de Nederlandse kunstwereld juist vanwege de vele subsidies internationaal niet meetelt. Als dat al zo is dan komt dat niet door ons subsidiebeleid. Het is eerder een gevolg van de hiërarchie tussen landen of van geografische ligging, in combinatie met de Nederlandse geschiedenis van sociaal-democratie.

Al twintig jaar woon en werk ik afwisselend in New York en Amsterdam. En iedere keer valt me weer op dat Amerikaanse en Europese kunstenaars op hetzelfde moment vaak heel gelijksoortig werk maken. Maar terwijl in New York zo’n kunstenaar bekend wordt dankzij een goed werkend marktsysteem, blijft een vergelijkbare kunstenaar hier hangen. De Amerikaanse kunstenaar Peter Fend zei ooit in een lezing: „If you want to be a wellknown artist go live in the country with the most political power.” Daarom trokken kunstenaars in de naoorlogse jaren naar Parijs, en vervolgens naar New York.

Galeries in steden als Parijs, London en New York hebben meer markt achter zich en dus meer macht. Nederland heeft wat dat betreft als land een positie ‘in de provincie’. En dat is helemaal niet erg. Wij hebben een goed subsidiesysteem, en prachtige musea. Daar zouden we heel tevreden mee moeten zijn. Waarom altijd met scheve ogen kijken naar het land met de sponsors en de kunstkopers?

De wetten van de kunstmarkt hebben namelijk ook een keerzijde. In de Verenigde Staten ontbreekt hedendaagse kunst vrijwel in musea in de middelgrote steden. Dat is namelijk wat sponsoring doet: het draagt bij aan kunst waar de scherpe randjes vanaf zijn. Als het gaat om de nieuwste ontwikkelingen, zijn de musea in New York allang niet meer toonaangevend. Grote gesponsorde tentoonstellingen hebben te vaak een bedenkelijk karakter. En in de New Yorkse wijk Chelsea heeft de galerie-boom van de laatste jaren veel marktgerichte, verkoopbare schilderijen opgeleverd.

Ook Amerika kende ooit een subsidiesysteem, met zogenaamde NEA grants. Maar door toedoen van senator Jesse Helmes verloren kunstenaars als Robert Mapplethorpe, Holley Hughes en Karen Finley begin jaren negentig hun subsidies vanwege het politiek opruiende en seksueel getinte karakter van hun werk. Het mediaspektakel dat daarop volgde, resulteerde uiteindelijk in een behoudender koers van het subsidiebeleid. Maar als je subsidies wegneemt, worden kunstenaars onvrij.

De vrije markt, waar iedereen in de discussie zich zo blind op staart, is dus niet zaligmakend.

Als ik in Amerika of in andere Europese landen ben, moet ik voortdurend opkomen voor ons Nederlands subsidiebeleid. En ik verdedig het graag. Maar ik vind het doodeng dat nu, met de publicatie van het boek Second Opinion, ook vanuit de fondsen zelf kritiek op het systeem op gang komt. Wat me het meest in het verkeerde keelgat schiet is het clichébeeld van de arme creatieve kunstenaar dat steeds weer van stal gehaald wordt – en vooral als dat idee bedacht is door mensen die zelf geen kunst maken. Armoede maakt niet creatief, maar onderontwikkeld. En kunst is niet goed omdat het verkoopt, maar omdat het aanzet tot nadenken.

Daarom: maak van ons subsidiebeleid een exportartikel en promoot het in het buitenland met een goede reclamecampagne.

beeldend kunstenaar, via e-mail