Aartslui en toch de snelste ter wereld

Asafa Powell (23) heerst op het koningsnummer van de atletiek, de 100 meter. De wereldrecordhouder uit Jamaica kan nog sneller, zegt zijn coach. „9,6 en een beetje is mogelijk.” Dinsdag loopt Powell in Belgrado zijn eerste wedstrijd van dit seizoen.

Meterslange schaduwen glijden over de atletiekbaan van gras. Het is maandagochtend zes uur en vijftig Jamaicaanse atleten vertrappen de laatste restjes dauw op het sportcomplex van de universiteit in de hoofdstad Kingston. Hier bereiden ’s werelds snelste atleten zich voor op een nieuw seizoen. Onder hen Asafa Powell, de snelste van allemaal.

De sprinter liep afgelopen seizoen twaalf keer onder de tien seconden en evenaarde tweemaal zijn wereldrecord, dat op 9,77 seconden staat. In 2007 moet het nog beter. Daar werkt hij hard aan. Zes dagen per week staat Powell om half vijf ’s ochtends op en rijdt met huisgenoot en collega Michael Frater naar de training. Om half negen keert hij terug voor het ontbijt. Na een lichte lunch en een paar uur slaap volgt de middagtraining in het krachthonk. En na het avondmaal is het om tien uur bedtijd.

Dat Jamaica’s snelste sprinter zijn vaderland is trouw gebleven, is allerminst vanzelfsprekend. Decennialang vertrokken talentvolle Jamaicaanse sprinters met een studiebeurs naar de Verenigde Staten. Een enkeling had succes, maar het merendeel faalde en keerde gedesillusioneerd terug. Dat moest anders, vond parttime coach Stephen Francis (43). Rond de millenniumwisseling richtte hij met minimale middelen de MVP-club (maximising velocity and power) op, de atletiekclub die inmiddels wereldwijd succes heeft.

Francis, die zelf nooit aan atletiek heeft gedaan, is helemaal niet verbaasd. „Aan talenten geen gebrek op Jamaica. Vanaf hun zesde komen kinderen via school in aanraking met atletiek. Ieder weekeinde zijn er wedstrijden. Bij het verlaten van de middelbare school is atletiek een vanzelfsprekendheid in hun leven. Maar daarna is er niets. Ik vond dat wij Jamaicanen onze verantwoording moesten nemen door het talent in eigen land verder te ontwikkelen.”

Met zijn 130 kilo is Francis een opvallende verschijning op de atletiekbaan. De ochtendtraining leidt hij vanuit een golfkar, waarmee hij over het terrein rijdt om oranje pionnetjes te verplaatsen. De groep van vijftig atleten lijkt een ongeorganiseerde bende, maar een strak trainingsschema bepaalt wie welke oefening doet. Mannen en vrouwen gescheiden, 100- en 200-meterspecialisten apart. Er wordt veel gelachen en soms gevloekt. Francis kijkt tevreden toe. Set en go, met die woorden houdt hij ruim twee uur orde, terwijl zijn jongere broer Paul de tijden klokt.

Na de training, in de schaduw van een bananenboom, roept de hoofdcoach, licht stotterend en zuigend aan een mentholsigaret, de kennismaking met Asafa Powell van zeven jaar geleden in herinnering. „Ik zag een jongen die niet in zichzelf geloofde. Hij werd laatste bij de nationale jeugdkampioenschappen. Maar ik zag zijn mogelijkheden. En na een half jaar wist ik het zeker: Powell is een geval apart.”

Een dag later onder diezelfde boom beaamt Powell het verhaal van zijn coach. „Ik wist helemaal niet hoe ik moest hardlopen. Ik deed altijd maar wat. Na een jaar onder hem te hebben getraind, zei ‘Franno’: ‘Als je goed naar me luistert, word je de snelste man op aarde’. Hij klonk overtuigend en ik besloot toen zijn advies op te volgen.”

En het succes volgde. Volgens Francis is dat geen toeval, maar het resultaat van zijn werkwijze. „Doordat de beste atleten al snel naar de Verenigde Staten vertrokken, moest ik noodgedwongen werken met degenen voor wie de American Dream niet lonkte. Daardoor leerde ik op een andere manier te kijken naar subtoppers. Bij hen bleek er op technisch vlak veel winst te halen. Bovendien was hun honger naar succes groot.”

De losers van Francis gaven hem de veelzeggende bijnaam: ‘De Profeet’. Powell: „Francis heeft me gebracht tot wie ik nu ben. Hij is een slimme man en is je steeds een stapje voor. Maar hij geeft je bovenal veel vertrouwen. Hij wil dat ik mijn afkomst niet verloochen en vooral dat ik bescheiden blijf.”

Dat is niet altijd gemakkelijk in een land waar talrijke moorden (zo’n 130 per maand) tot de realiteit behoren. Jamaica is arm en corrupt. De vorig jaar geïnstalleerde regering van president Portia Simpson biedt vooralsnog weinig hoop op verbetering. Uitzicht op betere tijden wordt gegeven door muzikanten en atleten. Van hen is Asafa Powell de populairste. Hij schittert op billboards, het resultaat van lucratieve sponsordeals. Zijn status als posterboy ondergaat Powell zelfbewust: „Ik ben Jamaica’s belangrijkste ambassadeur.” En met humor: „Zelfs de honden blaffen mijn naam.”

Zijn faam ten spijt heeft Francis nogal wat aan te merken op het arbeidsethos van Powell, of beter gezegd, het gebrek eraan. Hij klaagt veel, vooral dat hij moe is. En hoewel hij zich iedere ochtend voor zonsopkomst in zijn auto hijst om naar de training te komen, gaat dat allerminst van harte. „Om half vijf opstaan went nooit.” En de middagtraining in het krachthonk laat Powell soms schieten.

„Asafa is aartslui”, zegt Francis. „Van de vijftig atleten op de club werken er 49 harder dan hij. Ik moet de ene keer tegen hem liegen en hem de andere keer misleiden, maar uiteindelijk doet Asafa wat van hem gevraagd wordt. Waar zijn grenzen liggen, is onmogelijk te zeggen. Ik weet dat hij nóg beter kan.”

Francis verwacht dat Powell het wereldrecord op de 100 meter dit seizoen scherper zal stellen. „Als Asafa zich blijft ontwikkelen, moet hij zeker eentiende sneller gaan dan zijn eigen wereldrecord. 9,6 en een beetje is mogelijk.”

Voorkeur voor een plaats heeft Powell niet; als de omstandigheden maar ideaal zin. „Een uur voor aanvang begin ik aan de warming-up, alleen, geconcentreerd. Ik visualiseer de race meerdere malen. Ik ga naar het startblok en bid voor een goede afloop. Het startschot valt. Ik concentreer me op de finishlijn en vervolgens doe ik wat ik gewoon ben te doen.”