Verveelt Nederland zich?

Achtentwintig jaar geleden was Zwitserland onze vakantiebestemming. Maar we hadden geen zin om langs de Autobahn te gaan. Dus nam ik een liniaal en trok op de kaart een rechte lijn van Holland naar Lindau aan het Bodenmeer, vanwaar we Zwitserland wilden binnenrijden. Die lijn zouden we zo precies mogelijk volgen. Dus langs secundaire wegen en langs dorpen en stadjes.

Die reis was gedeeltelijk een openbaring voor ons. Ik deed er verslag van in deze rubriek. „Alle hotels waar we sliepen (in kleine steden per definitie eenvoudig, herbergen soms) waren kraakhelder en van de modernste gemakken voorzien; alle restaurants waar we aten idem dito. De bediening was altijd prompt en vriendelijk. Kom daar eens in Nederland om! Bovendien was het er over ’t algemeen goedkoper.

„En dan de steden zelf. Geen spoor van enige verloedering, die bijna alle oude Nederlandse steden vertonen. De grote Duitse steden mogen hun problemen hebben, in de kleine zag je nergens de half gesloopte huizen, de dichtgespijkerde ramen, de rommel op straat die de Nederlandse binnensteden – niet alleen de grote – kenmerken. Kortom, één groot Zwitserland.”

Het contrast met het Nederland van toen was ons te meer opgevallen omdat wij in de weekends vóór onze reis verscheidene oude middelgrote steden in Nederland hadden bezocht, en daar trof ons die verloedering waarover ik schreef, plus de muffe hotels en de gemelijke bediening. Ik probeerde voor die verschillen een verklaring te geven, die een discussie uitlokte. Zo liep het ene artikel uit in een kleine cultuurhistorische serie.

In de eerste week van mei van dit jaar zijn we weer in Nederland op stap geweest, deze keer met de boot door Gelderse, Friese en Hollandse wateren. Weer deden we allerlei middelgrote steden aan. Maar wat een verschil met 1979! Wat zagen die middelgrote steden er nu opgepoetst uit! En wat een welvaart! Zo voeren we, voordat we de binnenstad van Sneek bereikten, eerst zeker een half uur lang door een soort van Wassenaar.

En in Alkmaar waren er winkels – winkeltjes eigenlijk – die ik eerder in de Amsterdamse P.C. Hooftstraat had verwacht. Wie in Alkmaar koopt er bijvoorbeeld zulke mooie en dure schoenen als daar te koop waren? Zulke mensen kom ik zelfs in Den Haag nauwelijks tegen. Ik stel me voor dat iemand als Rijkman Groenink ermee rondloopt. Maar in Alkmaar?

De grote winkelstraten toonden evenwel overal één patroon. De ene Blokker reide zich aan de andere Zeeman, en het ene Kruidvat aan de andere Trekpleister – om niet te spreken van de Hema’s, Albert Heyns e tutti quanti. Allemaal voortreffelijke, ja onmisbare winkels, maar dat ze bijdragen aan het stadsschoon, kan ik nu ook weer niet zeggen. Ook was de rommel op straat nog niet verdwenen.

Een vergelijking met het Duitsland van vandaag kan ik niet maken. Ik ben daar enige tijd al niet geweest, en bovendien sliepen we deze keer niet in hotels, noch aten we in restaurants. Dat deden we allemaal aan boord, waar het kraakhelder was en de bediening (deels Nederlands, deels Oost-Europees) vriendelijk en voortreffelijk.

Het contrast was deze keer dus niet tussen Nederland en Duitsland, maar tussen het Nederland van nu en dat van 1979. Wat is de oorzaak van dat laatste contrast? Ook in 1979 was Nederland geen arm land. We zouden misschien kunnen zeggen dat de jaren van welvaart die eraan vooraf waren gegaan, de mensen eerder onverschillig hadden gemaakt. Dienstverlening? De boel schoon houden? Allemaal elitaire begrippen. Het waren nog de nadagen van de lange, meestal vieze haren.

Wel was het kabinet van Joop den Uyl al ruim twee jaar weg en was nu het centrum-rechtse kabinet-Van Agt-Wiegel aan het bewind, maar van het puinruimen dat Wiegel had beloofd, was er in de zomer van 1979 in de steden die wij bezochten, nog niet veel te merken (en anderszins ook niet). Daar moet onder latere kabinetten mee zijn begonnen, ongetwijfeld geholpen door een andere tijdgeest. Van een verrechtsing te spreken, zou een versimpeling zijn.

Maar hoe verklaar je anders verandering in de tijdgeest? In Freiburg vroeg een Duitse student eens aan de bekende historicus Friedrich Meinecke (1862-1952): „Wat is die tijdgeest precies, waar u het altijd over heeft?” Waarop Meinecke hem antwoordde: „Dat weet ik niet, maar zij die hem niet aanvoelen, zijn niet geschikt mijn onderwijs en onderzoek te volgen.”

Waarom zou ik dan een poging wagen een verklaring te geven van de uiterlijke verschillen tussen het Nederland van toen en dat van nu – uiterlijke verschillen die ongetwijfeld ook iets met een innerlijke ontwikkeling te maken hebben? Zij verbazen te meer omdat het onderwijs, waar al die aardige jongens en meisjes van nu het product van zijn, nog lang niet over de verloedering van de laatste vijftig jaar heen is.

Ook kan ik andere verschijnselen niet verklaren. Waarom groeit in zo’n welvarend land een partij als de SP zo? Creëert overvloed toch een soort van ontevredenheid, waarop de traditionele partijen geen antwoord weten? In het voorjaar van 1968 schreef Le Monde een hoofdartikel, getiteld ‘La France s’ennuie’ (Frankrijk verveelt zich). Een paar weken later barstte de studentenopstand van mei ’68 uit, die de Gaulle dwong het land even te verlaten (waarna hij met versterkte meerderheid de verkiezingen won).

Is het het socialisme dat de SP zo aantrekkelijk maakt? Dat is nauwelijks te geloven. Achtereenvolgens heeft Jan Marijnissen het maoïsme en het leninisme-marxisme laten vallen, en het woord ‘socialisme’ kwam al in het hele verkiezingsprogramma van 1998 niet meer voor. De SP heeft zelfs een man als Huub Oosterhuis omarmd en is dus een catch-all partij geworden, net zoals de partij van Pim Fortuyn. Dat maakt haar zo groot.

Een ander moeilijk verklaarbaar verschijnsel is de groeiende emigratie uit Nederland. Waren de motieven in de jaren ’40 en ’50 armoede, overbevolking en Russenangst, wat zijn ze nu? Ook verveling? De Duitsers (om toch met hen te eindigen) hebben daar een woord voor: Überdruss.