Olievloek bedreigt Cambodja

Het straatarme en door en door corrupte Cambodja, waar eenderde van de bevolking analfabeet is, leeft van de giften van donorlanden. Maar nu is er olie gevonden. Paradoxaal genoeg reden tot grote zorg.

Langs de weg staan ze overal: scholen, ziekenhuizen met grote teksten over vriendschap met Japan, met Zuid-Korea, met Australië. Zo leeft het straatarme Cambodja de laatste twintig jaar na het vernietigende bewind van Pol Pot en de latere burgeroorlog van de giften van andere landen. Van de totale begroting van 1 miljard dollar is de helft van buitenlandse donors afkomstig.

Maar een einde aan het donorinfuus lijkt in zicht. Op papier althans. Want de economische groei zit in de buurt van de 10 procent en bovendien blijkt Cambodja ineens olie te hebben, veel olie. Zes veelbelovende velden heeft Chevron in de Golf van Thailand aangeboord en op het land zelf is bauxiet gevonden en goud. Tussen de 500 miljoen en 1 miljard dollar gaat dat de staatskas jaarlijks zeker opleveren.

In de wandelgangen van de economische instituten als de Wereldbank en de Aziatische Ontwikkelingsbank heerst grote verdeeldheid en valt de term oilcurse, de vloek van de olie, wat Cambodja betreft regelmatig. Die is bekend van diverse Afrikaanse landen met veel olie en weinig instituties, waar een kleine elite zich verrijkt en zich met bruut geweld de armen van het lijf houdt. Is dat het voorland van Cambodja, waar eenderde van bevolking met minder dan een halve dollar per dag moet rondkomen, het lezen en schrijven niet beheerst en waar nog driekwart van de 15 miljoen inwoners van de landbouw leeft?

De premier, Hun Sen, kan zich over die vraag opwinden. „Onze buitenlandse vrienden hadden zich beter druk kunnen maken over ons toen Pol Pot hier huishield of toen de bommen vielen. Toen hoorde je ze niet”, zegt hij tegen een zaal vol met zojuist afgestudeerde jongelui aan de Universiteit van Phnom Penh op vrolijk demagogische manier. De zaal kan er wel om lachen.

Maar redenen tot zorg om Cambodja zijn er voldoende. Zo is het land door en door corrupt. Een jonge onderwijzer vertelt: „Na mijn studie wilde ik liever in de stad blijven, maar om een aanstelling te krijgen, moest ik het schoolhoofd 600 dollar betalen. Op het platteland kost het bijna niets, maar daar woon je tussen de armoe en kom je zelf ook niet verder. Ik verdien nu 50 dollar per maand, dus daar los ik die schuld aan het schoolhoofd niet mee af. Maar ik verkoop nu pennen en schriften aan de kinderen in de klas.” Hij legt in één adem uit hoe het zit met de winstmarge en wat er gebeurt als ouders niet betalen, „dat zien ze dan terug op het rapport van hun kind”.

Zo werkt het overal, van hoog tot laag. En de vraag blijft steeds, is het een hulpmiddel om het hoofd boven water te houden of wordt corruptie een doel op zichzelf? Op de lijst van corrupte landen staat Cambodja op plaats 151, dat wil zeggen dat er slechts 12 landen in de wereld zijn waar het erger is.

Voor het parlementsgebouw staan een stuk of vijftig boeren uit het hoge noorden, vlakbij de grens met Thailand. Ze protesteren en eisen geld, want er zijn 76 huisjes afgebrand en laat dat nou precies op de plek zijn waar de plaatselijke commandant de grond al had verkocht aan een projectontwikkelaar om er een markthal voor de grenshandel te bouwen.

Vergelijkbare dingen gebeuren herhaaldelijk in de bosbouwsector: een districtsbestuur geeft een kapvergunning aan een firma en kleine boeren hebben het nakijken. Het zijn dingen die niet optimistisch stemmen over de olievondst, waar nagenoeg hetzelfde kan gebeuren. In het buurland Thailand hebben ze in elk geval nog een wijze, gezaghebbende koning die zich soms opwerpt als pleitbezorger voor de arme boer.

Maar in Cambodja liggen die zaken allemaal anders. Er is wel een monarchie, maar die is nogal besmet geraakt in de politiek. De vroegere koning Sihanouk is met pensioen en nu kijkt een kalende midveertiger in pontificaal uniform je in alle openbare gebouwen wat bleekjes aan.

Sihamoni is opgeleid tot danser in wat toen nog de Sovjet-Unie en Tsjechoslowakije heette, zit hier wat op de troon te zwijgen en te verpieteren, heeft vrouw noch gezin en zal die volgens het roddelcircuit ook nooit krijgen. Een monarch zal hier, als hij het al zou willen, de olievloek niet kunnen verhinderen. Daar is iedereen het over eens.

En toch. Daniel Adler heeft voor de Wereldbank hier de laatste jaren onderzoek gedaan naar grondtransacties. Een leerzaam project wat hem behoedzaam optimistisch heeft gemaakt. Adler: „Je ziet hier een vertrouwd patroon, iedere keer weer.” Bijvoorbeeld: een districtschef verkoopt een stuk grond wat van niemand is, maar waar iedereen gebruik van maakt, aan een projectontwikkelaar. Corruptie mag je gevoeglijk aannemen. Dan gaan de boeren bij de districtschef verhaal halen. Die stuurt ze weer naar huis, jaagt ze soms weg met behulp van de politie. En dan zoeken die betogers het vervolgens hogerop, bij de gouverneur. Dat gaat zo een tijdje door, maar op zeker moment wordt er onderhandeld en uiteindelijk komen er compensaties.

„Mij heeft het geleerd dat er onuitgesproken toch zoiets is als een sociaal contract”, zegt Adler. „Dat er kennelijk algemeen aanvaarde grenzen zijn. Schietpartijen tussen kapitalisten en landarbeiders, zoals vroeger in Zuid-Amerika, zie je hier niet.”

Het land is ondanks alles betrekkelijk homogeen: bijna iedereen is boeddhist en iedereen spreekt dezelfde taal. Het land was al een natiestaat voordat de Fransen er in de negentiende eeuw binnentrokken. De huidige regering van de eeuwige premier Hun Sen en zijn alom aanwezige Volkspartij bestaat uit serieuze bestuurders. Erg democratisch gaat het er allemaal niet aan toe en Hun Sen wil tot zijn negentigste premier blijven, maar op dezelfde manier heeft Lee Kuan Yew tenslotte in dertig jaar tijds zijn stadsstaat Singapore omgetoverd van een achtergebleven maffia- en drugswalhalla tot een voorbeeldige, kauwgom- en corruptievrije zone van welvaart en stabiliteit.

Feit is in elk geval dat steden als Phnom Penh en Siem Reap ondanks explosieve groeicijfers van 30 tot 50 procent de laatste jaren niet zijn verloederd en dat er geld en aandacht is gestoken in de publieke ruimte – trottoirs, parken, boulevards. En er ontluikt iets wat op een middenklasse lijkt in deze steden, mensen die per huishouden meer dan 380 dollar verdienen. 15 procent van de ruim 2 miljoen inwoners van de hoofdstad zou aan dit criterium al voldoen. Oliedollars kunnen mensen met macht echter weer tot verkeerde dingen verleiden. De directeur van het Economisch Instituut van Cambodja, een onafhankelijk instituut van recente datum, Sok Hach: „Als je kijkt hoe we hier met bosbouw zijn omgesprongen, dan ziet het er niet zo best uit. Dan kan het land met olie en al instorten. Als donors dit land willen helpen dan moeten ze burgergroepen steunen die het handelen van de overheid kritisch en nauwgezet volgen.”