Moet je Van Oldenbarnevelts stokje echt zien?

Wat moet het toekomstig Nationaal Historisch Museum tonen? Daarover debatteerden deskundigen gisteren. „Geen schilderij van Erasmus? Dan toon je een van zijn boeken.”

Rosan Hollak

Over de vraag welke stad het Nationaal Historisch Museum (NHM) mag huisvesten, wordt op dit moment heel veel gepraat. Wat met het museum wordt beoogd is wat ondergesneeuwd. Want hoe moet zo’n museum er eigenlijk uitzien? Wat voor een objecten worden er geplaatst? Is het bijvoorbeeld belangrijk dat het originele stokje van Johan van Oldenbarnevelt werkelijk te zien is of kan je dat stokje net zo goed virtueel tonen?

Over deze vragen werd gisteren onder leiding van Hans Maarten van den Brink gediscussieerd in debathuis Felix Meritis in Amsterdam. Op uitnodiging van onder meer de Nederlandse Museumvereniging waren vertegenwoordigers van buitenlandse musea naar Nederland gekomen om hun visie te delen met Peter Sigmond, directeur collecties van het Rijksmuseum in Amsterdam, cultuurconsulent Han Bakker en Wim van der Weiden, adviseur bij Stichting Anno en schrijver van het plan voor het nieuwe museum.

Vooral Jorge Wagensberg, directeur van CosmoCaixa Barcelona, is zeer stellig over de opbouw van een NHM. „Het moet een educatieve functie hebben. Mensen moeten zich verwonderen en even helemaal in het Romeinse Rijk kunnen opgaan.” Ook Sigmond heeft een duidelijk standpunt: „Als je iets wilt vertellen over Erasmus maar geen schilderij hebt waar hij opstaat, dan toon je een van zijn boeken.”

Een van de punten van discussie is of een museum wel ‘nationaal’ moet heten. Simone Mergen, hoofd educatie van het Haus der Geschichte in Bonn, legt uit dat dit onderwerp destijds in Duitsland bewust werd vermeden: „Wij werden in 1994 opgericht op verzoek van Bondskanselier Helmut Kohl. Toen was Duitsland nog opgesplitst. Wij konden moeilijk van ‘nationaal’ spreken. Bovendien is die term veel te beladen.”

Mergen vermoedt dat Nederland vooral een NHM wil om daarmee ‘het immigratieprobleem’ aan te kaarten. Volgens haar moet worden voorkomen dat een museum een politiek instrument wordt. „Een museum moet onafhankelijk zijn. En vooral vragen opwerpen.”

Ook An Lavens, directeur van het BELvue museum, het nationaal historisch museum in Brussel, benadrukt het belang van neutraliteit. „Wij vertellen de geschiedenis vanaf 1830 en proberen verschillende sociale groepen met elkaar te verenigen. Een gevoelig onderwerp als de koningskwestie proberen we op een neutrale manier te behandelen door documenten van verschillende partijen te tonen.”

Vorig jaar werd in Nederland een historische canon, bestaande uit vijftig ‘vensters’ van de geschiedenis, gepresenteerd. Van den Brink stelt de vraag of dit het uitgangspunt moet zijn bij de inrichting van een NHM. Wagensberg betwijfelt het. „De kern van je filosofie moet niet bestaan uit vijftig uitgangspunten. Dan ben je niet flexibel.” Wim van der Weiden is het geheel eens met Wagensberg. „Je moet vanuit de actualiteit mensen vertrouwd maken met de geschiedenis. Als klimaatverandering op dit moment iets is dat ons bezighoudt, kan je dat onderwerp als uitgangspunt nemen.”

De hele discussie rondom de locatie van het toekomstige NHM, waarover minister Plasterk (Cultuur), voor de zomer beslist, vindt Van der Weiden onzinnig. „Laat het maar een onderdeel worden van de Efteling. Zo’n museum hoeft helemaal niet op een toplocatie te staan.”