Help China aan technologie voor CO -opslag 2

Het klimaatsbeleid van het kabinet richt zich op duurzame energie in eigen land. Heel loffelijk, maar niet voorkomen wordt dat India en China de komende jaren CO2 uitbraken, schrijft Pieter van Driel.

Het kabinet wil een ambitieus klimaatbeleid. Daarin valt het te prijzen. Maar het voorgenomen beleid heeft een voorliefde voor hernieuwbare energie in eigen land. Terwijl wereldwijd honderden nieuwe elektriciteitscentrales worden gebouwd, vrijwel allemaal op fossiele brandstoffen, richt Nederland zich op het schoonvegen van het eigen straatje.

Voor de beperking van de mondiale CO2-uitstoot is dat weinig effectief. Het effect van de Nederlandse inspanningen zou veel groter zijn als we ons richten op internationaal dringende knelpunten.

De toename van mondiale CO2-emissies moet uiterlijk 2025 omgebogen zijn in een daling om de risico’s van klimaatverandering beperkt te houden. Dat lukt alleen als de drijvende krachten achter die toename aangepakt worden. De honderden nieuwe elektriciteitscentrales die gebouwd gaan worden – en die elk minstens vijftig jaar meegaan – zijn van cruciaal belang voor de omvang van de mondiale CO2-uitstoot. Het zal veel uitmaken of deze centrales verspillend omspringen met de brandstof of juist zuinig zijn. Nog beter is het als ze helemaal geen CO2 uitstoten. De meeste centrales worden gebouwd in India, China, Oost-Europa en de VS. Voor die landen zijn alternatieven als ‘zon’, ‘wind’ en ‘biomassa’ weinig aantrekkelijk, omdat zij over enorme voorraden goedkope kolen beschikken. Als die kolencentrales niet zo efficiënt mogelijk worden gemaakt, en niet in staat zijn tot CO2-afvang en -opslag, kunnen we een mondiale ombuiging van de CO2-uitstoot wel vergeten.

De technologie van zero emission kolencentrales ligt thans binnen bereik. Hierbij wordt de gevormde CO2 afgevangen en opgeslagen in geologische formaties of chemisch gebonden aan kalkhoudend gesteente. Als dergelijke centrales zouden gaan draaien op biomassa in combinatie met CO2-opslag, ontstaat zelfs de mogelijkheid om CO2 te gaan onttrekken aan de atmosfeer!

India en China zijn alleen via technologische en financiële samenwerking tijdig op een klimaatvriendelijke koers te krijgen. Door hen te helpen met de ontwikkeling en bouw van zero emission kolencentrales wordt het klimaat een veel grotere dienst bewezen dan met duurzame energie in eigen land.

Maar van zo’n internationaal georiënteerde strategie is in het regeerakkoord geen sprake. Men richt zich primair op de Nederlandse energie-efficiency. Daardoor wordt het criterium van kosteneffectiviteit nagenoeg buiten werking gesteld.

In Nederland valt het aandeel van duurzame energie onmogelijk op een verantwoorde manier in twaalf jaar op te krikken naar 20 procent. Wij hebben drie opties: zon, wind en biomassa. Zonne-energie is nog veel te duur. Windmolens op land stuiten op verzet vanwege landschapschade en zijn op zee duur. Daarnaast geldt dat naarmate er meer windenergie aan het elektriciteitsnet wordt geleverd, hoe meer de stabiliteit daarvan in gevaar komt en hoe meer behoefte er bestaat aan back-up van klassieke centrales. De maximumbijdrage van 20 procent aan de elektriciteitsvoorziening – drie procent van de gehele energievoorziening – is niet te halen vóór 2020.

Voor echte biomassacentrales is de tijd nog niet rijp, dus deze optie blijft voorlopig beperkt tot bijstoken in fossiele centrales. Voor een geforceerde uitbouw van biomassa moet een enorme import op gang gebracht worden met veel risico’s voor natuur en voedselproductie in ontwikkelingslanden.

Duurzame energie kunnen we beter op Europese schaal uitbouwen. De EU mikt op 20 procent CO2-reductie en 20 procent ‘duurzaam’ als gemiddelde, elke lidstaat naar zijn eigen mogelijkheden. Onder de lidstaten zijn er genoeg met veel mogelijkheden. Oostenrijk heeft waterkracht; Zweden uitgestrekte bossen, Oost-Europa heeft ruimte voor energiegewassen.

Of we het leuk vinden of niet, de uitbouw van ‘hernieuwbare’ energie vergt tijd. Het is onverantwoord daarvan nu al een grote bijdrage te verwachten voor de ombuiging in mondiale emissies. Men kan beter de kaarten zetten op technieken die potentieel hebben. Mits men tegelijk met het oog op het klimaatbeleid ná 2020 een krachtig R&D-beleid voert betreffende ‘duurzame energie’.

Dat het tempo van efficiencyverhoging bij energieverbruik moet worden verdubbeld tot 2 procent per jaar is ook te veel van het goede voor een land als Nederland waar dat peil al hoog is. Efficiencyverbetering verloopt vooral via vervanging van apparaten en voertuigen, investeren in gebouwen – processen met hun eigen tempo. Bij meer dan 1,7 procent per jaar schieten de kosten omhoog met honderden miljoenen euro per jaar extra. Ook op dit gebied is buiten Nederland per euro veel meer voor ‘het klimaat’ te bereiken.

Ten slotte, in het regeerakkoord blijven, hoe dringend het klimaatprobleem ook is, nieuwe kerncentrales taboe, ongeacht hun intrinsieke veiligheid en kosteneffectiviteit. Weliswaar mag de kerncentrale in Borsele open blijven, maar over import van atoomstroom wordt gezwegen. Het kabinet hoort hier een actuele afweging te maken.

De effectiviteit van ons klimaatbeleid heeft erg te lijden van de provincialistische keuzes. Met de mondiale kraan wijdopen wordt dat later duur dweilen.

Pieter van Driel is zelfstandig onderzoeker. Hij schreef mee aan het WRR-advies over Klimaatstrategie 2006.