Burger zit tussen twee vuren

Het is onbekend hoe hoog het dodental in het kamp inmiddels is opgelopen.

Duizenden burgers hebben een gevechtspauze gebruikt om te vluchten.

A priest listens to confession in a Chaldean church during Easter mass in Baghdad, Iraq, Sunday, April 8, 2007. It is unclear how many of the prewar 1.4 million Christian community still remain in Iraq. (AP Photo/Khalid Mohammed ) Associated Press

Duizenden burgers zijn gisteren gevlucht uit het Palestijnse vluchtelingenkamp Nahr al-Bared, waar het Libanese leger van buitenaf met tank- en artilleriebombardementen de in het kamp verschanste extremistengroep Fatah al-Islam probeert te vernietigen. „De stank van lijken hangt overal”, zei Dania Mahmoud Kassem, een 21-jarige studente uit het kamp bij Tripoli in Noord-Libanon. Het is niet bekend hoeveel doden in het kamp zijn gevallen sinds de gevechten zondag begonnen.

De vluchtelingen profiteerden van een gevechtspauze, na een dag waarop bij internationale hulporganisaties de bezorgdheid groeide over het lot van de naar schatting 30- tot 40.000 burgers in het kamp. Dinsdag was er een konvooi met hulpgoederen van de Verenigde Naties getroffen, eerst door lichte wapens en vervolgens door zwaarder vuur, toen het tijdens een staakt-het-vuren de belegerde burgers voedsel en water probeerde te brengen. Richard Cook, het hoofd van de VN-hulporganisatie voor Palestijnse vluchtelingen (UNRWA) in Libanon, zei dat daarbij doden en gewonden waren gevallen. Maar hij wist niet hoeveel. Een andere UNRWA-functionaris zei dat er 15 mensen waren gedood of verwond.

„Er is geen voedsel, water of stroom en ze schoten op ons”, zei Dania Kassem, nadat ze zich in veiligheid had gebracht. Ibrahim Issa Dawood, een andere vluchteling, zei dat hij met zijn vrouw en zes kinderen van drie tot dertien jaar oud drie dagen lang in een moskee had geschuild, levend op chips. „Zelfs de begraafplaats werd gebombardeerd en de botten kwamen naar boven”, zei hij. „We dachten dat dit onze laatste kans was omdat ze het kamp gaan bulldozeren.” Veel Palestijnen zijn uitgeweken naar het naburige kamp Beddawi.

De gevechtspauze die naar schatting 15.000 burgers in staat stelde weg te komen, leek geen onderdeel te zijn van een georganiseerd bestand. En er was geen aanwijzing dat de strijd voorbij was, al duurde de gevechtspauze gisteren nog voort. De regering van premier Fouad Siniora heeft gezegd vastbesloten te zijn om Fatah al-Islam te vernietigen. Een Libanese militaire zegsman zei vanochtend dat „de zaak niet voorbij is”.

Daarom nam het leger vanaf zondag het kamp, een dichtbevolkt netwerk van steegjes en straatjes, met tanks en artillerie onder vuur. De ongeveer 200 extremisten van Fatah al-Islam schoten terug met mortieren en automatische wapens. Tv-beelden van persbureau AP uit het kamp toonden straten met beschadigde auto’s, glasscherven en puin van verwoeste gebouwen waarvan sommige in brand stonden. Krachtens een akkoord uit 1969 mag het leger de kampen niet in. Wel heeft het geprobeerd stellingen van Fatah al-Islam net buiten het kamp in te nemen.

De Libanese regering krijgt veel steun van de Libanese bevolking voor de legeractie. Ook de shi’itische oppositieorganisatie Hezbollah staat achter de legeractie tegen de sunnitische Palestijnen. Daarnaast wordt de regering van premier Siniora gesteund door Arabische landen. Sommige van hen hebben wapens geleverd. Hun positie onderstreept de bezorgdheid over de activiteit van Fatah al-Islam, waarvan de leider zelf heeft gezegd geestelijke verwantschap met Al-Qaeda te voelen. De groep krijgt ook geen steun van andere Palestijnse facties. Maar Palestijnse vluchtelingen elders in Libanon maakten zich kwaad over het lot van de burgers en staken autobanden in brand uit protest tegen de legeraanval.

Sinds zondag zijn volgens officiële bronnen 29 militairen, 20 extremisten en zeker 27 burgers bij het geweld in Noord-Libanon gedood. Dit zijn de cijfers van maandag. Omdat hulpwerkers niet of nauwelijks in het kamp zijn geweest, is onbekend hoe hoog het dodental daar inmiddels is opgelopen. Verhalen van vluchtende bewoners wekten bij hulporganisaties angst voor een groot aantal doden, hoewel het leger heeft gezegd dat het probeert te mikken op stellingen van Fatah al-Islam.

„Er is een bloedbad geweest, ik was er getuige van”, schreeuwde een gevluchte bewoner boos. „In één enkele kamer waren er tien doden. Zes granaten kwamen op ons terecht, de lichamen werden in stukken gescheurd.” Volgens de internationale mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch moet het Libanese leger betere voorzorgsmaatregelen nemen om onnodige burgerdoden te voorkomen. Fatah al-Islam op zijn beurt mag zich volgens de organisatie niet te midden van burgers verschuilen. (Reuters, AP)