Boontje

Mijn jongste dochter mailde opgelucht dat ze volgens de gynaecoloog kindjes kan krijgen.

Zo’n gynaecoloog wordt dankzij allerlei gesprekken in de boezem van het gezin bijna een vertrouwde figuur. Wat heeft de gynaecoloog gezegd? Heb je nog aan de gynaecoloog gevraagd of…? De gynaecoloog weet toch wel dat…?

Ik zag de gynaecoloog op het laatst aandachtig over het dossier met mijn achternaam gebogen. Als er veel syfilis en gonorroe in de familie voorkwam, zou ze denken: „Goor stelletje.” Maar nee, ze bladerde het dossier een beetje verveeld door, vergeleek wat onderzoeksresultaten en krabbelde ergens achterin: „Komt wel goed.”

Dat liet mijn dochter ons dus meteen per mail weten. Het zou nog wel even kunnen duren, die kindjes, maar grote problemen waren er niet te verwachten. Fijn. De volgende dag kwam ze op bezoek om mijn vrouw met haar verjaardag te feliciteren. Ook fijn. Het is een reuze fijn gezin, dat zal duidelijk zijn. We liggen de hele dag bij elkaar over de vloer, eten uit elkaars hand en huilen onbedaarlijk als we afscheid moeten nemen.

Mijn dochter gaf een cadeautje : Ook!, ‘hét blad voor opa’s en oma’s’. Sympathiek, maar weinig opzienbarend, want wij zijn al een poosje grootouder. Mijn vrouw gaf het blad snel aan mij door – bladen zijn mijn afdeling –, ik las gretig de rubriek ‘Dé favoriete kinderkoekjes’, en ik mompelde wat. Ik kreeg zin in iets sterkers.

Toen leek er enige onrust in het gezelschap te ontstaan.

„Snappen jullie het nou nog niet?” riep mijn dochter.

Ik keek mijn vrouw aan. Nee, wij snapten niets.

„Ze is zwanger!”

Het duurde toen toch nog een seconde of tien voor we begrepen dat we niet in de maling genomen werden, maar wáren. Die misleidende mail van de vorige dag was een soort practical joke geweest – humor is ook een sterke kant in ons gezin. De gynaecoloog had mijn dochter juist laten zien dat ze in verwachting was. Daar zaten pa en ma – iedereen had de grap doorgehad, behalve zij. Zó werkt kennelijk de menselijke geest: niet-passende informatie wordt zo lang mogelijk geweerd.

Enkele dagen later, toen we hersteld waren van ons debacle, mochten we het filmpje van de echoscopiste zien. Die wordt vermoedelijk ook een vaste gast van de familie. De huisarts. De gynaecoloog. De echoscopiste. De verloskundige. Dat is zo ongeveer de volgorde. Vergeet ik nog iemand? Akkoord, de vader, maar die doet alleen het voorwerk.

Op het filmpje zag ik mijn dochter op een bed liggen. Ze keek naar een beeldscherm waarop een zwart boontje zichtbaar was. In dat boontje wriemelde en wemelde het een en ander. Het was nog maar dertien weken oud en het werd misschien mijn tweede kleinkind. Als de gynaecoloog gelijk kreeg. En als de verloskundige geen vervelende fouten maakte.

„Dit is de placenta”, hoorde ik de echoscopiste zeggen, „daar zit het kind, je ziet hier een normale schedel, die ligt in het hoekje, als je hoest floept-ie naar de andere kant.”

Dertig jaar geleden had dit nog als een practical joke geklonken, nu is het dagelijkse kost. Het is dat we in mijn familie samen al zoveel afhuilen – anders had ik een traantje weggepinkt.