Bataven: van vader op zoon Romeins soldaat

Bataven dienden in het Romeinse leger en gedroegen en kleedden zich als Romeinen. Zodra ze afzwaaiden, gingen ze naar huis en pakten zij oude gewoonten weer op.

De Bataven waren vergaand geïntegreerd in het Romeinse rijk. Dat is de belangrijkste conclusie van opgravingen, de afgelopen vijfentwintig jaar, van twee nederzettingen en een grafveld bij Tiel-Passewaaij. Een publieksboek (Een Bataafse gemeenschap in de wereld van het Romeinse rijk) en een tentoonstelling in het streekmuseum van Tiel tonen vanaf vandaag de resultaten. Een van de schrijvers van het boek is Nico Roymans, hoogleraar aan de Vrije Universiteit.

Waaruit blijkt die verregaande integratie?

„Ze dienden in het Romeinse leger, spraken en lazen Latijn, hadden dubbele Romeinse namen en hadden Romeins burgerrecht.”

Vroeger hadden archeologen toch het idee dat de romanisering, de overname van de Romeinse cultuur, maar een dun laagje vernis was?

„Die opvatting stamt uit de jaren zestig en zeventig en was gebaseerd op de vondst en opgravingen van funderingen van huizen. Noviomagus (het huidige Nijmegen) was maar een provinciestadje en op het platteland waren nauwelijks Romeinse villa’s. De huizen, typische woonstalhuizen, waren van hout en leem en gemaakt met inheemse technieken. Maar onze opgravingstechnieken zijn in de loop der jaren veranderd. Wij hebben nu de beschikking over metaaldetectoren, waarmee we systematisch de opgravingsvlakken hebben afgepiept. Dat levert een heel ander beeld op.”

Welk beeld?

„De Bataven woonden inderdaad niet in steden, maar in nederzettingen van vier, vijf boerderijen. We schatten het aantal nederzettingen in de hele civitas Batavorum, zeg maar de oostelijke helft van de Rijn-Maasdelta, op ongeveer 1.250. Maar de materiële cultuur bleek veel diverser dan we hadden gedacht. In Tiel hebben we naast vele Romeinse munten bijvoorbeeld veertig vingerringen – een typisch Romeins verschijnsel – gevonden. Ook ontdekten we meer dan duizend fibulae (kledingspelden) in allerlei vormen, Romeins toiletgerei en bronzen armbanden. Acht bronzen zegeldoosjes, die gebruikt werden om brieven te verzegelen, geven aan dat de bewoners van Passewaaij bekend waren met de Romeinse schriftcultuur. In een naburige nederzetting in Ophemert is ook nog een houten wasplankje, waarop geschreven kon worden, gevonden.”

Roymans denkt dat de zegeldoosjes en wasplankjes vooral gebruikt zijn voor correspondentie met zonen en broers die in het Romeinse leger dienden.

„De Bataven namen een speciale plaats in het Romeinse leger in. Ze leverden soldaten voor de hulptroepen en ruiters voor de cavalerie. Verder bestond het grootste deel van de keizerlijke garde uit Bataven. We schatten dat de Bataven zo’n 5.000 man leverden.”

Jullie houden de totale Bataafse gemeenschap op ongeveer 30- tot 40.000 mensen. Is zo’n hoog percentage soldaten aannemelijk?

„Bij die vijfduizend man zijn waarschijnlijk ook soldaten van cliënten van de Bataven, zoals de Cananefaten, die door de Romeinen allemaal als Bataven werden gezien. Maar het percentage was inderdaad hoog. Het was heel normaal dat meerdere familie- en gezinsleden gelijktijdig in het leger dienden. Van de 68 Bataven die we van opschriften kennen, gaat het zeven keer om twee broers die in dezelfde eenheid dienen. Waarschijnlijk was het ook traditie om van vader op zoon in het Romeinse leger te dienen.”

Jullie zien de afzwaaiende Bataafse soldaten dan ook als belangrijke intermediair voor het doorgeven van de Romeinse cultuur.

„Op basis van opschriften, bijvoorbeeld op grafzuilen, gingen de meeste archeologen er tot nu toe vanuit dat soldaten zich na hun afzwaaien bij hun laatste legerplaats vestigden, meestal ver van hun moederland. Wij hebben ontdekt dat het in ieder geval bij de Bataven anders was. Zij keerden in grote aantallen terug naar hun oude nederzettingen. Dat blijkt uit de vondst van grote hoeveelheden Romeins wapen- en paardentuig, die veteranen als aandenken mee naar huis brachten. De piek ligt in de eerste eeuw na Christus, toen soldaten van de hulptroepen na hun diensttijd nog niet automatisch Romeins burgerrecht kregen. Zonder dat burgerrecht kon je weinig beginnen en dus keerden veel Bataven terug naar hun familie.”

Ondanks die integratie houden de Bataven vast aan hun eigen grafritueel.

„Ja, ze cremeren hun doden, begraven de crematieresten en werpen een grafheuvel op. De grafgiften zijn eenvoudig en er wordt geen sociaal onderscheid gemaakt. We vinden ook geen Romeins wapentuig in de graven. Als het om begraven gaat, zijn ze dus weer volop Bataaf. Zo lijkt er een contrast te bestaan bij de Bataven: vasthouden aan voorouderlijke tradities, maar ook – soms uit pragmatisme – een vergaande overname van Romeinse cultuurelementen. Net als in de moderne samenleving maakten individuen deel uit van meerdere, deels overlappende identiteitsgroepen.”