Vervelende leerlingen

Schrijfster Nicolien Mizee geeft een cursus ‘Verhalen schrijven’ aan de Volksuniversiteit. Ze laat zich inspireren door het werk van haar leerlingen. Vandaag over studenten die links zitten.

„Identificatie met het personage”, aarzel ik, „ik weet niet of dat wel bestaat.”

„We schrijven en lezen over seriemoordenaars en sadisten. We zien wat ze doen en we kunnen hun toekomstig gedrag redelijk voorspellen, zoals een bioloog dat kan bij een diersoort. Maar navoelen is wat anders. Dag Arthur. Zat het tegen in het verkeer?”

„Ik ben consultant”, zegt hij schouderophalend. „Consultants zijn altijd te laat.”

Ik wend me weer tot de klas. „Het gaat er om dat onze lezers het personage accepteren, hoe grillig en moreel verwerpelijk dat zich misschien ook gedraagt. En dat is een kwestie van goed opschrijven. We kunnen er wel even mee oefenen. Schrijf de eerste zin van een verhaal waarin je een nieuw personage introduceert.”

Na vier minuten laat ik ze hun zinnen voorlezen. Als Arthur aan de beurt is, schraapt hij zijn keel en leest: „Met een uitdagende lach staat de schrijflerares voor de klas. ‘Introduceer een nieuw personage’, zegt ze en kijkt met een schuin oog naar mij.”

Ik knik en geef de beurt aan de volgende.

Na afloop van de les blijft een leerlinge dralen. „Vind je ’t niet belachelijk zoals die Arthur doet?” vraagt ze. „Met die zin over jou?” En als ik haar niet-begrijpend aankijk: „Over die uitdagende lach!”

Gek dat ze zich daarover opwindt. Ik was het alweer vergeten. Het is me al vaker opgevallen dat ik zelden naar de studenten kijk die aan de linkerkant zitten. Vervelende leerlingen komen de eerste les al te laat en schuiven dan in de dichtstbijzijnde bank, links bij de deur.

De leerlingen mailen hun huiswerk elke week naar elkaar en naar mij. Voor het eerst stuurt ook Arthur een stuk op: „De schrijflerares draagt wijde kleren die haar, naar ze hoopt, een nonchalant uiterlijk geven. Ze is een gecompliceerde vrouw en het zou prettig zijn als ze dat eens toegaf.” Na nog een paar zinnen gooi ik het stuk weg, ten prooi aan een mengeling van woede, schaamte en walging. Ik bel Ger, mijn oude leermeester, en doe onsamenhangend mijn verhaal.

„Mannetje-vrouwtje-gedoe”, zegt Ger nasaal. „Dat heb je vaak bij hetero’s. Die doen altijd zo raar met elkaar. Die man wil aandacht van jou.”

„Je betaalt toch geen honderdtachtig euro voor een schrijfcursus om alleen maar aandacht te krijgen?” roep ik.

„Meisje”, zegt Ger meewarig. „Je hebt mensen die daar dúizenden euro’s voor over hebben! Zeg maar dat je elk jaar een paar van dit soort stukjes krijgt. Dieper kun je hem niet kwetsen, want hij wil uniek zijn.”

Met een steigerende maag stap ik de volgende les mijn lokaal in en begin aan de huiswerkbespreking. „Arthur heeft een stukje over de juf geschreven. Dat gebeurt elk jaar wel een keer. Dat is niet erg origineel.” Ik leg het stuk op zijn tafel en ga door met de volgende.

We zien Arthur nooit meer terug. Al die weken weerhield weerzin me ervan zijn kant op te kijken, maar nu hij er niet meer is, zie ik haarscherp terug hoe hij me al die tijd geprobeerd heeft uit te dagen. Ongewenst en ongeweten heeft alles zich in mijn geheugen geëtst. Waarom doet iemand zo en waarom wil ik het niet zien?

En toch: ik zou er een verhaal over kunnen schrijven.

Nicolien Mizee