Vast en los

Vanuit de portiek van een kantoor stond ik gedachteloos naar het drukke verkeer te kijken, toen ik opeens iemand hoorde roepen: „Meneer, meneer, kunt u mij even helpen?” Het was de stem van een vrouw, dus ik had al een spurt ingezet voordat ik precies wist wat er aan de hand was – een echte man weet wanneer hij nodig is.

Het was een forse vrouw van een jaar of vijftig, goed gesoigneerd en gekleed in een jurk met blauw-witte noppen. Ze stond in een onhandige houding naast haar fiets, het rechterbeen op de weg. Haar linkervoet bleek door de onderzoom van haar jurk onlosmakelijk met de kettingkast verbonden.

Ik boog me aandachtig voorover, als een chirurg die op het punt staat een riskante incisie uit te voeren. De toestand was tamelijk alarmerend. De stof zat onwrikbaar vast, ergens tussen trapper en kettingkast, maar bij gebrek aan röntgenfoto’s kon ik onmogelijk vaststellen hoe in te grijpen zonder het weefsel blijvend te beschadigen.

Terwijl ik diep door mijn knieën vertwijfeld naar de beste oplossing zocht, stond die vrouw daar maar zwetend te staan, op één been geketend aan haar kettingkast. Het was alsof ze met haar fiets een Siamese tweeling vormde – met een even verontrustend vooruitzicht.

Ik trok steeds harder aan de stof, maar er kwam geen beweging in. Mijn hand zat inmiddels onder de oliesmurrie.

Hoe zou het toch komen dat míj dit soort dingen altijd gevraagd wordt, vroeg ik me nogal onredelijk af. Zó handig zie ik er nou toch ook weer niet uit?

Laatst overkwam het me nog in het vliegtuig. Ik werd bij een nooduitgang geplaatst. „U heeft nu meer beenruimte”, zei de stewardess, maar ik moest er wél wat voor doen. „In geval van nood moet u de deur openen.” Ik moest dan de deur vastpakken en naar me toehalen en hem vervolgens van me afduwen – zoiets, het kan ook andersom geweest zijn. „Het is wel heel zwaar, hoor”, waarschuwde ze nog. Ik keek om me heen naar al die passagiers die in het zicht van de dood van mij afhankelijk zouden zijn. Wisten ze waar ze aan begonnen?

„Heeft u misschien iets aan een schaar?”, vroeg de vrouw van de fiets me. Ze pakte een etui uit haar tas en gaf me een onooglijk schaartje.

Een nieuwe complicatie, want ik ben linkshandig en kan niet goed overweg met gewone scharen. Ik stak het schaartje verwoed in de stof , maar er gebeurde niets. Lag het aan mijn linkerhand of aan het schaartje? De situatie werd pijnlijk. Gelukkig toonde er eindelijk iemand belangstelling, een voetganger. Hij was in het gezelschap van twee oersterk ogende, laag bij de grond vertoevende honden met vreselijke koppen. „Pas op voor de honden”, zei hij, „ze zijn een beetje opdringerig.”

Hij nam het schaartje van me over. „Hij pakt niet”, riep hij al snel. Dat viel weer mee.

Ik overzag de heilloze situatie en besefte dat alleen een moedige beslissing ons allen kon redden. „We trekken allebei tegelijk aan die jurk”, zei ik tegen de man. De vrouw knikte zwijgend.

De jurk gaf zich meteen met een laf krakje gerafeld over. Op hetzelfde moment nam een van de honden mijn rechterenkel tussen zijn kaken. „Los!”, riep de man – en hij liet los. Zo werd het toch nog een soort bevrijdingsdag.