Toch scoren met weetjes, in plaats van met inzicht

De krant doet verslag van de eindexamens, die duren tot en met 1 juni. Vandaag: geschiedenis (havo) door de ogen van redacteur Janna Laeven (vwo) – examenjaar 2000, cijfer 8.

De geschiedenis herhaalt zich niet, zo benadrukten de heren historici op mijn universiteit graag. Dat zal wel, maar het gaat mooi niet op voor politiek tekenaar Albert Hahn (1877-1918). Zijn spotprenten sierden elk proefwerk uit mijn middelbareschooltijd. En daar is hij weer, in het havo-examen van dit jaar. Thema: de koloniale relatie tussen Nederland en Nederlands-Indië.

Dit keer schetst Hahn, in scherp zwart-wit, zijn tijdgenoot generaal Van Heutsz (1851-1924). Een slagersmes in zijn hand, zijn arm nog bloedend van het slachten, krijgt Van Heutsz een koninklijk insigne opgespeld. „Hoe in Nederland het moorden wordt bestraft”, is het onderschrift. De bijbehorende examenvraag (20) luidt: leg met een element uit de bron uit wat de mening van Albert Hahn over de Atjehoorlog is, en waarom deze prent ook als majesteitsschennis werd gezien.

Het antwoord mag duidelijk zijn: Hahn had het niet zo op die Atjehoorlog. Goed te doen dus, ook voor havisten die geen boeken uit het hoofd hebben geleerd en het vooral van inzicht moeten hebben. De teneur van de tweede fase is immers: niet de droge feiten, maar historische vaardigheden toetsen. Met behulp van bronnen moet de leerling zelf tot een interpretatie van de geschiedenis komen.

Toch telt het eindexamen opvallend veel vragen die geen beroep doen op inzicht, maar puur het reproduceren van kennis vergen. Naast Indonesië is het thema dit jaar het weinig prikkelende ‘Van kind tot burger: Volksopvoeding in Nederland van 1780-1901’. Gevraagd wordt naar de patriotten, die het bevorderen van onderwijs aan armen als oplossing zagen voor de economische problemen van hun tijd. Vraag 2: geef de redenering van de patriotten weer.

Hier wil het Cito duidelijk niets anders dan het herkauwen van het leerboek. Volgens het antwoordmodel krijgt de leerling alleen de volledige score als hij de relatie tussen het lage ‘zedelijk peil’ van de bevolking en armoede benoemt. Zonder zedelijk peil geen punten. Ook vraag 15 herinnert aan de tijd dat geschiedenis nog werd gegeven met de schoolplaten van Isings; zet de gebeurtenissen uit de geschiedenis van Indonesië in de juiste volgorde.

Minder gericht op feitelijkheden is het examen ‘nieuwe stijl’, dat als pilotproject op acht havo’s in Nederland is gehouden. In plaats van twee jaarlijks wisselende, nauwkeurig omschreven thema’s, toetst dat nieuwe geschiedenisexamen een algemeen kader van historische kennis, geordend in de tien tijdvakken. Van oudheid tot de moderne tijd.

Dat blijkt uit de breed opgezette vragen, die allemaal met behulp van een bron (bijvoorbeeld een foto uit historisch themapark Archeon in Alphen aan de Rijn, een pamflet van Mussert in het NSB-partijblad) te beantwoorden zijn. Het examen nieuwe stijl toetst weer meer inzicht dan kennis, en is daarmee misschien wel makkelijker, maar ook leuker dan het ‘gewone’ examen. Wordt verwacht: examenjaar 2009.

Examenervaringen opnrc.nl/eindexamen