Mango’s telen kost meer tijd dan geld

Eerlijk geproduceerde mango’s uit Burkina Faso liggen hier in de supermarkt. Maar het normale concept van fair trade werkt in het droge land niet. „Ze lieten alles plukken wat aan de boom hing.”

Een plukbaas staat uit te leggen waarom de marabouts de regen hebben tegengehouden als de mobiele telefoon van Hans-Willem van der Waal gaat. Barendrecht aan de lijn. De importeur wil weten wanneer de mango’s arriveren. Terwijl Van der Waal containers en koelsystemen bespreekt, gaat de plukbaas verder met zijn verhaal. Het zit zo. De katoenoogst is net achter de rug, er is geld op het platteland en dat wordt gevierd met dagenlange begrafenisfeesten. De marabouts, dorpsgenoten die in nauw contact staan met de spirituele wereld, laten de regens nog even wachten. Die zouden alles maar in de war schoppen.

Van der Waal staat nergens meer van te kijken. Hoofdschuddend klapt hij zijn telefoon dicht. „Het blijft toch wonderlijk dat je zomaar met Nederland kunt praten.” Op anderhalf uur rijden van Bobo Dioulasso, de tweede stad van Burkina Faso, strekken zich droge vlaktes uit met lemen dorpen en mangobomen zover als het oog reikt. De hitte is moordend. Veertig graden.

Nederlanders eten steeds meer mango’s en die komen hier vandaan. Hans-Willem van der Waal is interim-directeur van Fruiteq, een exportbedrijf dat vorig jaar zestig containers met biologische fair trade-mango’s naar Europa verscheepte. Het plukseizoen is in april begonnen en loopt tot juni.

Export levert de boeren enkele honderden euro’s per seizoen aan extra inkomsten op. Vroeger kwamen de mango’s niet verder dan de regionale markt. Nu gaan ze in koelcontainers op de trein dwars door rebellengebied in Ivoorkust en per schip van Abidjan naar Antwerpen. De mango’s die vandaag van de boom komen, liggen over drie weken in de Nederlandse supermarkt. Het luistert nauw, zegt Van der Waal: „Ze moeten precies de goede kleur hebben. Niet te geel, want dan worden ze te snel rijp. En niet te wit, want dan worden ze juist niet meer rijp. Er mogen geen vlekjes of puntjes op zitten, want dat vindt de consument niet leuk. En ze moeten straks voortdurend op tien graden worden bewaard.”

De export uit Burkina Faso begon een paar jaar geleden als ontwikkelingsproject van de Nederlandse hulporganisaties SNV en ICCO en de fair trade-importeur Agrofair. Die steunden boerencoöperaties met subsidies zodat ze het fruit onder fair trade-vlag naar Europa konden verschepen. Het idee was duurzame handel naar Latijns-Amerikaans model: boerencoöperaties of grote plantages exporteren hun eigen producten zonder inmenging van tussenpersonen en de consument betaalt een premie die terugvloeit naar de boeren en besteed wordt aan sociale projecten.

Dat werkt goed met bananen en koffie in Zuid-Amerika, maar Afrika is een ander verhaal. „Het bleek dat ze niet bereid waren om verantwoordelijkheid te nemen voor hun product”, zegt Van der Waal. „Er was geen enkele prikkel om goed werk te leveren. Ze lieten gewoon alles plukken wat aan de boom hing. Ze konden de exportmango’s niet van de gewone mango’s onderscheiden en hun fruit was bovendien toch al verkocht. Soms was de helft van wat in het pakstation aankwam niet geschikt voor export. Dat leverde grote verliezen op. Daarom besloten we een onafhankelijk bedrijf op te richten.”

Fruiteq draait sinds 2005 zonder subsidie. De Europese Unie financierde een sorteerlijn en koelcellen. De exporteur staat tussen de coöperatie en de consument in en de boeren hebben de pluk overgelaten aan ploegen die van boomgaard naar boomgaard trekken. Dat strookt niet met de gangbare fair trade-filosofie waarin geen plaats is voor tussenpersonen. Die zouden de arme boer maar uitbuiten. Een achterhaald concept, vindt Van der Waal. „In de fair trade-wereld is de tussenpersoon een beetje de kwaaie pier, maar zonder exporteurs en plukbazen is de mangosector niet winstgevend. Je kunt niet van een analfabete boer verwachten dat hij een exportbedrijf kan runnen.”

De exporteur maakt in overleg met de plukbazen een prijsafspraak met de boeren. Die krijgen een relatief hoge prijs. „De productiekosten zijn laag. Mango’s groeien vanzelf, ze hebben geen kunstmest of water nodig. Je moet natuurlijk wel eerst een boomgaard planten, maar daarna hoef je alleen maar te wachten tot de mango’s eraan hangen. Het kost niet zozeer geld als wel tijd. De prijs kan best nog wat omlaag en dat zal uiteindelijk ook wel moeten, want de concurrentie uit Latijns-Amerika neemt toe.” De fair trade-labelingsorganisatie FLO keerde vorig jaar een premie van 28.000 euro uit aan de vijf boerencoöperaties die bij Fruiteq betrokken zijn. Daar zijn apotheekjes en marktkramen van gebouwd.

Een oude Peugeot komt rammelend en knarsend tot stilstand. De plukbaas laat blauwe kratten vol mango’s in de laadbak stapelen. Ze moeten zo snel mogelijk de koeling in, maar dat betekent eerst anderhalf uur hobbelen over een onverharde weg. Burkina Faso is droog, heet, grenst niet aan zee en zal voorlopig afhankelijk blijven van donoren. Is Fruiteq, op 800 kilometer van de kust, wel levensvatbaar? Van der Waal: „Tja, dit is natuurlijk niet de meest logische plek, maar wij zijn klein en flexibel. Ons fruit ligt wel in de Nederlandse supermarkten. Van onze mango’s gaan kinderen naar school, er worden brommers van gekocht, ze helpen de problemen van het platteland te verlichten. Als het hier kan, kan het overal in West-Afrika.”