Ik heb niks te verbergen

Nederland neemt de ene privacybeperkende maatregel na de andere.

Niemand lijkt zich er druk over te maken: mij zoeken ze niet. Is dat niet naïef?

Opeens zat er een agent met zijn hand tussen de benen van Marcel Boogers. De bestuurskundige was ’s avonds op weg naar een feest in Tilburg. Hij was in een preventief fouilleergebied terechtgekomen. „Ik vond het belachelijk dat hij mij lastig viel. Maar ik dacht ook: als ik me kwaad maak, zit ik zo op het bureau. Je ondergaat het dan maar braaf.”

Preventief fouilleren, cameratoezicht, legitimatieplicht: tal van maatregelen die de burgerrechten beperken worden vrij geruisloos ingevoerd. De wetten worden met gemak door het parlement geloodst. Waarschuwingen van deskundigen en (links-)liberale politici wekken weinig interesse. En actiegroepen voor burgerrechten en privacy leiden een kwijnend bestaan.

Het is een onverschilligheid die in het buitenland verbazing wekt. Europarlementariër Sophie in ’t Veld (D66): „Oost-Europese collega’s bijvoorbeeld, vinden het gemak waarmee wij de privacy ondergeschikt maken aan een vermeend veiligheidsbelang verbazingwekkend. Zij hebben de dictatuur nog vers in het geheugen. Ze zijn veel zuiniger op hun verworvenheden.”

Nederlanders, zegt bestuurskundige Marcel Boogers, „leven in een mentale verzorgingsstaat”. Boogers: „We hebben een groot vertrouwen in het collectief.” In de Verenigde Staten, zegt hij, is dat wel anders: „Daar is de scepsis tegen de overheid ingebakken. Maar dat land is dan ook ontstaan uit verzet tegen de overheid.” In de VS zijn tientallen burgerrechtengroepen actief.

In Nederland „worden grondrechten niet bewust beleefd”, zegt Nationale Ombudsman Alex Brenninkmeijer. „Nederlanders zijn vooral pragmatisch en zelden echt principieel.” En hoogleraar politieke filosofie Herman van Gunsteren: „We werken in Nederland altijd graag met een taakverdeling. En dit soort debatten is door burgers uitbesteed aan de politiek.”

Politici staan de overheid toe om steeds vaker in te grijpen in het dagelijks leven van burgers. De laatste jaren is het voor politie en inlichtingendiensten – maar ook voor andere overheidsdiensten – veel makkelijker geworden om informatie over burgers te verzamelen, met elkaar te delen en aan elkaar te koppelen. Burgers mogen in hun dagelijks leven ook sneller gestoord worden door de overheid. Dat is, zoals de overheid zegt, nodig voor een betere bescherming tegen terrorisme en criminaliteit – of tegen de eigen ouders, zoals bij plannen van de overheid om in een zo vroeg mogelijk stadium potentiële probleemkinderen op te sporen en het gezin aan te pakken.

De meeste Nederlanders wéten niet wat de overheid allemaal mag. En als ze het weten, hebben ze niet het idee dat de maatregelen hun aangaan. Ze denken: mij overkomt het toch niet. Of: als ik niks verkeerd doe, heb ik niks te verbergen. Ze denken ook dat Nederlandse ambtenaren bij het gebruiken van die bevoegdheden geen fouten maken – en als er fouten zijn, corrigeert de overheid zichzelf wel.

Allemaal misverstanden, zeggen juristen, bestuurskundigen en actievoerders. Maar het verklaart wél de onverschilligheid. „Veel mensen denken: het zijn toch die kut-Marokkanen die eindelijk eens aangepakt worden”, zegt de Tilburgse hoogleraar recht, technologie en samenleving Bert-Jaap Koops.

Deels is dat het geval. Zo kreeg Rick van Amersfoort laatst van een dakloze een stapeltje van dertig boetes te zien. Het was de oogst van een maand op straat leven: oversteken bij rood licht, in het openbaar een joint roken, hangen op een bankje voor het Amsterdamse Muziektheater. Van Amersfoort werkt bij het bureau Jansen en Janssen. Dat is geworteld in de kraakbeweging en volgt politie- en inlichtingendiensten „kritisch”. Van Amersfoort: „Jij en ik zouden er geen boete voor krijgen. Maar deze dakloze is lastig, dus pakt de politie hem zo aan.”

„Je moet ook opkomen voor het burgerschap van mensen die je vervelend vindt”, zegt hoogleraar Van Gunsteren. Dat is ook eigenbelang: „Denken dat jou niet zal overkomen wat die ander overkomt, is een vergissing. Net als de gedachte dat je van de overheid niets te vrezen hebt.”

Wat Nederlanders zich moeten realiseren, is dat niet zijzélf bepalen of ze iets verkeerd doen, zegt bestuurskundige Boogers: „Je bent overgeleverd aan de beoordeling van een naamloze ambtenaar. Het is een fictie om te denken dat je daar zelf invloed op hebt.”

Nederlanders hebben een naïef vertrouwen in de overheid – en dat is onterecht, zegt ombudsman Brenninkmeijer. Natuurlijk, zegt hij, hebben ambtenaren het beste voor met de burger. „Maar de staat heeft altijd de neiging meer bevoegdheden naar zich toe te trekken. Als die bevoegdheden er zijn, zullen ze gebruikt worden. Ook voor dingen waar ze niet voor bedoeld zijn.”

De legitimatieplicht is volgens hem een goed voorbeeld. Waarschuwingen dat de politie hem zou kunnen misbruiken, werden weggewuifd. Ombudsman Brenninkmeijer: „Nu zie je dat politie betogers vraagt om hun legitimatie. Dan is het een repressiemiddel geworden.” Ander voorbeeld. Toen Robin van Persie verdacht werd van verkrachting, probeerden meer dan tweehonderd Rotterdamse agenten het dossier van de voetballer in te zien.

Dat de gemiddelde Nederlander niet doorheeft dat zijn burgerrechten worden aangetast en er een Big Brother-samenleving ontstaat, is begrijpelijk, zegt hoogleraar Van Gunsteren. „Wat wel erg is, is dat degenen die ons politiek bestel beheren het nauwelijks beter begrijpen.” Is dat zo? Wat vinden de politici zelf?

Aleid Wolfsen, Tweede Kamerlid voor de PvdA, vindt dat grote vertrouwen in de overheid niet altijd terecht, zegt hij. Maar toch: „De inlichtingendiensten, politie en justitie hebben het wel in zich om hun werk goed en gewetensvol te doen.” Bijvoorbeeld, zegt hij: de leiding van deze organisaties is vaak „terughoudender” met maatregelen die de privacy aantasten dan de politici die ze deze mogelijkheden willen geven.

Wolfsen: „Dat vind ik mooi.” Het Kamerlid is ook „trots” op de waarborgen die volgens hem in het systeem zijn ingebouwd. Omdat het parlement „zorgvuldig en rustig” naar wetten kijkt die burgerrechten beperken. En omdat er altijd nog rechters zijn om fouten recht te zetten. „Of de Nationale Ombudsman”, zegt Wolfsen.

Maar juist over dat zelf-corrigerend vermogen bestaat twijfel. „Het parlement speelt eigenlijk geen echt kritische rol”, zegt ombudsman Brenninkmeijer. Hijzelf of de rechter kunnen alleen „achteraf en incidenteel” ingrijpen. Terwijl juist de ‘marginalen’ de rechter maar moeilijk weten te vinden. En waarom zou het parlement wetten aannemen in de hoop dat de rechter de excessen ervan corrigeert?

Onzin, die vrees voor een Big Brother society, zegt Kamerlid Sybrand van Haersma Buma van het CDA. „Het doel is niet om de gangen van anderen na te gang en ze te sturen. Het doel is mensen te helpen.” Al die critici moeten zich realiseren, zegt Van Haersma Buma, dat de overheid het niet voor zichzelf doet, maar voor de burger. Als je probleemgevallen en de veiligheid wil vergroten, heb je veel informatie nodig.

Het uitblijven van ophef komt niet door onwetendheid, denkt het Kamerlid. De „grote meerderheid” van de Nederlanders „weet drommels goed” wat ze aan privacy weggeven. Zij vinden veiligheid gewoon belangrijker. Terecht, zegt het Kamerlid. Hij heeft zelf ook ooit een (afgewezen) voorstel gedaan om veiligheid als grondrecht in de wet op te nemen. Het is volgens Van Haersma Buma „het zichzelf als intellectuele voorhoede beschouwende deel van Nederland” dat er naast zit. „Net als eerder in het debat over de multiculturele samenleving.”