De briesende consul, zijn kok en de bewaker beloven een visum

DOUALA, 23 MEI. - Het is donderdagochtend. De consul van Equatoriaal Guinea doet alsof hij het druk heeft. Iemand die uit Ivoorkust komt en een visum voor zijn land aanvraagt? „Da’s ook louche. In Ivoorkust woedt oorlog.” Met een vies gezicht werpt hij het aanvraagformulier van zich af. „Kom morgenmiddag maar terug.” Niks mee te maken dat morgen een lang weekend begint en het consulaat tot en met dinsdag gesloten blijft. Hij beent zijn kantoor uit ten teken dat het onderhoud afgelopen is.

Het consulaat van Equatoriaal Guinea in de Kameroenese havenstad Douala is een splinternieuw tegelpaleis. Vroeger huisde het in een onttakeld villaatje waar dommelende ambtenaren wakker schrokken als er eens in de maand iemand binnen stapte die het in zijn hoofd had gehaald dat hij het godvergeten eiland voor de kust van Kameroen wilde bezoeken. Toen werd er door een Amerikaan olie ontdekt. Nu is het minuscule land de derde olieproducent van Afrika en zijn de Equatoriaal-Guineeërs doorgeslagen. Dat laatste zeggen de Kameroenezen, die hun buren maar een stelletje luie, achterlijke, op dollars beluste bosnegers vinden. Kenners noemen het regime van president Teodoro Obiang hardvochtig en crimineel. Gastvrij zijn ze in ieder geval niet. Nergens is informatie beschikbaar over hoe je een visum moet krijgen, hoeveel het kost en hoe lang het duurt. Alles, zeggen investeerders, draait om contacten.

Ons contact dient zich onverwacht aan. Het is de loopjongen van een reisbureau waar we na het fiasco op het consulaat raad hebben gevraagd. De loopjongen kent de chauffeur van de consul. „Die kan jullie zo helpen.” In een vervaarlijk kreunende taxi rijden we samen terug naar het consulaat. Toevallig staat daar niet de chauffeur, maar de kok van de consul op de stoep. Nog beter, zegt de loopjongen. De kok, een Kameroenees, is één en al oor. Hij gaat het allemaal regelen. Morgenmiddag zitten we met een geldig visum in een vliegtuig naar de hoofdstad Malabo. „Maar dat gaat u wel geld kosten.” Tweehonderd euro per stuk. Het is het waard als je er al helemaal voor uit Ivoorkust bent komen vliegen. De consul is iemand die op vrijdagochtend aan zijn weekend begint. Zijn medewerkers zitten nu al bier te drinken in een aanpalend café.

Vinden dat je al best wat hebt meegemaakt – met amuletten zwaaiende rebellen, gewapende overvallen, ten hemel schreiende bureaucratie – helpt weinig in West-Afrika. Het kan altijd nóg absurder. Het wachten begint op vrijdagochtend in een achterafkroeg op een steenworp afstand van het consulaat. De loopjongen zit erbij. Om half elf komt de kok melden dat de visa getekend zijn. Nog even geduld. De consul geeft de paspoorten zometeen vrij. Om half drie blijft de kok een uur zitten om cola te drinken en zijn gal over de Equatoriaal Guineeërs te spuwen. „Beesten zijn het.” Maar het komt goed. Nog even geduld. Als hij weg gaat om de paspoorten op te halen, komt hij niet terug. Om half zes zijn de rolluiken van het consulaat gesloten. De kok neemt zijn telefoon niet meer op.

De volgende ochtend bezweert een bewaker die voor het consulaat op een houten klapstoeltje zit dat de kok bonafide is. Dat kan wel zijn, maar ik wil mijn paspoort terug. Reizen binnen Kameroen is onmogelijk zonder identiteitsbewijs. Zeker, de consul is er. „Hij rust uit en wil niet gestoord worden. Kom woensdag maar terug.” Op woensdag vlieg ik terug naar huis. Wat als ik dan mijn paspoort nog niet heb? „U maakt zich te veel zorgen.” Van de Kameroenese politie krijgen we een brief waarin staat dat de paspoorten kwijt zijn. Dat heeft nog heel wat voeten in de aarde. Een kennis van een kennis kent toevallig een commissaris die bereid blijkt het noodzakelijke document te stempelen.

Woensdagochtend. Na drie uur wachten in een schamele bouwval pal tegenover het tegelpaleis zet de paniek in. Nog even en het vliegtuig naar Ivoorkust vertrekt. Het consulaat is open, maar er mag niemand naar binnen. Behalve één rijke zakenman, die tevreden zijn visum laat zien. „Meteen gekregen. Aardige lui, die Guineeërs.” De bewaker raakt geïrriteerd als ik hem voor de zoveelste keer uitleg dat ik die middag moet vliegen, het visum voor Equatoriaal Guinea allang niet meer hoef en alleen nog maar mijn paspoort terugwil. Smeken richt niets uit, huilen lukt niet. „Nog even geduld.”

De Nederlandse ambassadeur moet eraan te pas komen om de paspoorten terug te krijgen. Het duurt even voordat hij het telefoonnummer van zijn Equatoriaal-Guinese collega heeft bemachtigd, maar dan zwaait de deur van het consulaat eindelijk open. Briesend zit de consul achter zijn bureau, dat door lijkt te buigen onder het gewicht van de ingelijste foto’s van hemzelf die naar de bezoeker staan gekeerd.

De consul heeft een schrobbering gehad van zijn ambassadeur. Hij maskeert zijn gêne met een tirade over racisme in Europa. „En jullie blanken denken zeker dat je zomaar een visum kan krijgen? Wij willen geen terroristen in ons land!”

Zonder een woord over de kok overhandigt hij de paspoorten. Er zitten geen visa in. Het geld krijgen we ook terug. Van de kok, die het op bevel van de consul uit zijn broekzak vist. Ze wisselen een blik van teleurstelling uit. De werkelijke prijs van een visum is vijftig euro.