Tarantino is klapkauwgom voor cinefielen

In Cannes zijn nu de populairste Amerikaanse producties vertoond. Het was vooral interessant de verschillen te zien tussen het nieuwe werk van de gebroeders Coen en dat van Quentin Tarantino.

Bas Blokker

A Mighty Heart genereerde gisteren een belangstelling zoals Michael Winterbottom ze maar zelden in zijn werk heeft gekend. Het project stond al op de rails en Angelina Jolie was al gecontracteerd, toen de regisseur er voor gevraagd werd. Toch is Winterbottom erin geslaagd zijn stempel op de film te drukken. Hij heeft de blik op de wereld van Karachi, Pakistan wijdopen gezet, zoals hij in al zijn films doet. Hij beziet dus niet alleen Wall Street Journal journalist Daniel Pearl op diens laatste vrije dag in januari 2002 en de wanhopige zoektocht die zijn vrouw, en de Amerikaanse en Pakistaanse autoriteiten daarna ondernemen. Hij kijkt ook naar de eindeloze armenwijken, de overvolle bussen en de labyrintische huizen waar zich verdachten ophouden.

Die wijde blik is zeer functioneel voor het verhaal. Zo worden wij deelgenoot aan de wanhoop die de speurders moeten hebben gevoeld: hoe vind je hier ooit een enkele man terug? Pearl bleek achteraf te zijn vastgehouden in een buitenwijk van Karachi – dichtbij, maar onvindbaar. Bovendien slaagt Winterbottom erin om met het hoge tempo en de snelle montage van al die indrukken, met af en toe archiefbeeld, een historische sensatie over te brengen. Dit voelt niet alleen als een drama voor de blanke, zoals zo vaak in Amerikaanse films, maar voor alle betrokkenen.

In het wereldklassement van interessant staat de Angelsaksische cultuur bovenaan. Dan kunnen sommige Franse critici in de ranglijstjes die in de hier dagelijks verschijnende filmbladen wel de dodelijk gênante Les chansons d’amour van Christophe Honoré als favoriet voor de Gouden Palm aankruisen, als het er op aankomt kijken ze zelf ook liever naar de nieuwe Tarantino. Of naar U2, hét evenement van het afgelopen weekend. De boulevard de la Croisette, slagader van het festival, slibte zaterdagnacht helemaal dicht toen de Ierse superband zich opmaakte voor een miniconcert om de première van de driedimensionale concertregistratie op te luisteren. Twee nummers speelden ze, Vertigo en Where the Streets Have No Name, luid meegebruld door duizenden mensen.

De afgelopen dagen zijn op het filmfestival de populairste Amerikaanse producties vertoond. Zaterdag Michael Moores Sicko en No Country for Old Men van Joel en Ethan Coen, een verfilming van Cormac McCarthy’s boek. Gisteren volgden Paranoid Park van Gus van Sant en A Mighty Heart en ’s avonds laat kon de Europese pers vast kijken naar de in Amerika al geflopte Tarantino, Death Proof.

Het was vooral interessant om de verschillen tussen de gebroeders Coen en Tarantino te zien. No Country for Old Men is verschrikkelijk geestig, de broers zijn dialoogvirtuozen, maar stemt in al zijn inktzwarte humor ook tot nadenken. Een rommelaar (Josh Brolin) stuit op een tas met drugsgeld, temidden van een bloedbad zonder overlevenden. Hij neemt het geld mee en krijgt een van de meest gedenkwaardige huurmoordenaars uit de filmgeschiedenis achter zich aan, gespeeld door een briljante Javier Bardem. Gestolen goed gedijt niet is hier een understatement. De broers zijn na enkele vederlichte komedies terug op het spoor van hun beste films, Blood Simple, Barton Fink, Fargo.

Death Proof is daarbij vergeleken klapkauwgum voor cinefielen. Tarantino moet zich achter de camera (letterlijk, hij heeft veel scènes zelf gefilmd) en achter de montagetafel steeds hebben verkneukeld over wat hij nu toch weer uithaalde. De ene beeldgrap na de andere zien we, zoals slijtagedraden die over het beeld lopen, alsof we naar een heel oude film zitten te kijken. Hij laat de montage soms struikelen, alsof de film is opgelapt voor een avondje in een afgetrapte bioscoop. Het kunnen allemaal wel odes zijn aan zijn grote voorbeeld Jean-Luc Godard, maar die heeft met zijn cinema nog iets te beweren, Tarantino niet. Die is veel te blij met spelen.

In zekere zin geldt dat ook voor Paranoid Park van Gus van Sant. Hij keert als het ware terug naar de wereld van zijn film Elephant over de schietpartij op Columbine High. Ditmaal volgt hij een paar skaters op de middelbare school, en dan vooral Alex, die zijn paradijs heeft gevonden op Paranoid Park, een heftige skatetrack. Het verhaal draait rond een zwaar drama in Alex’ leven, maar de camera, gehanteerd door Christopher Doyle, draait het liefst rond de skaters, buitelend, zwevend soms, altijd sensueel.

Als Paranoid Park niet de indruk maakt die Elephant maakte, dan is het omdat vorm en inhoud elkaar daar perfect vonden. Hier is de inhoud te klein voor de vorm, camerawerk, muziek en montage. Maar altijd interessanter dan Death Proof.