Roemenië blijft nog lang een zorgenkind

De critici van de Roemeense president Basescu trekken geen les uit het pak slaag dat ze zaterdag van de kiezers kregen. Ze draaien gewoon de realiteit om.

De reacties van de leidende Roemeense politici op hun klinkende nederlaag in het referendum over de afzetting van president Traian Basescu, zaterdag, leert een kostbare les: van dat fiasco – 74,4 procent van de Roemenen stemde tegen het voorstel van het parlement om Basescu af te zetten – hebben ze absoluut niets opgestoken.

De partijleiders die Basescu – hervormer, corruptiebestrijder en populist – via het referendum uit de weg wilden werken reageerden met commentaren waarin de werkelijkheid simpelweg en zonder enige gêne werd omgedraaid. Premier Calin Tariceanu, liberaal, oordeelde dat de Roemenen Basescu „een tweede kans” hebben gegeven – hoewel ze in werkelijkheid zijn eerste kans hebben gefiatteerd en Tariceanu de koudste douche uit zijn carrière hebben bezorgd. Mircea Geoana, leider van de sociaal-democraten (ex-communisten), noemde Basescu’s zege „roemloos” omdat de opkomst zaterdag laag was – hoe roemloos hij zelf en zijn partij er van af zijn gekomen liet Geoana in het midden. Hij zei ook dat de kiezers Basescu „geen carte blanche” hebben gegeven, al heeft driekwart van de opgekomen kiezers dat nu juist wel gedaan. En Dan Voiculescu, de wegens corruptie in opspraak geraakte leider van de Conservatieve Partij, vond dat Basescu niet het recht heeft voor ‘de’ Roemenen te spreken, maar alleen voor de kiezers die hem zaterdag steunden. Dat waren er trouwens zes miljoen.

Tariceanu weigerde gisteren af te treden, ook al klonken vanuit zijn eigen partij oproepen om dat wel te doen. Het is echter de vraag hoe lang hij kan blijven zitten. Zijn regering is in het parlement immers aangewezen op de sociaal-democraten, en die uitten zich gisteren sceptisch over voortzetting van die steun.

Zo blijft de politiek wat ze in Roemenië altijd is geweest, niet slechts sinds de komst van de democratie, bijna achttien jaar geleden, maar ook in de eeuw vóór dat communisme: corrupt. De Roemenen zien hun regeerders al honderdvijftig jaar als zichzelf verrijkende profiteurs en oplichters, die niet met en voor, maar over het volk regeren en hun eigen belangen scherper in de gaten houden dan die van de bevolking.

De corruptie is niet alleen diep ingesleten, ze maakt deel uit van het politieke weefsel. Dat illustreert de driekwart meerderheid in het parlement die corruptiebestrijder Basescu wilde dumpen. Net zoals de uitslag van het referendum – 75 procent voor Basescu, 25 procent voor de meerderheid in het parlement die hem kwijt wilde – de enorme kloof illustreert die gaapt tussen het wantrouwende volk en de politieke elite. Pestele de la cap se impute (De vis rot het eerst aan de kop), zeggen de Roemenen.

Ze hebben net gezien met hoeveel gemak Tariceanu onlangs de efficiënte corruptiebestrijdster Monica Macovei uit zijn regering gooide en haar verving door een piepjonge procureur die direct onderzoeken naar hoge leiders – onder wie Voiculescu – staakte.

Basescu kan zijn oorlog tegen de politieke elite en de corruptie niet winnen. Daarvoor zijn zijn mogelijkheden als president te gering, en is de steun vanuit de politiek te klein. Wellicht dient de eerste gelegenheid om (een deel van) de politieke elite te vervangen, zich pas aan bij de parlementsverkiezingen van volgend jaar.

Dat betekent dat Roemenië een zorgenkind zal blijven – nog heel lang. Het land heeft wetten tegen de corruptie, maar wat het vooral nodig heeft is een elite die ze uitvoert in plaats van in het openbaar lippendienst te bewijzen en ze achter de schermen te saboteren.

Basescu is niet de redder die de Roemenen graag in hem zien. Hij is een eenling, en hij is waarschijnlijk ook niet zo brandschoon als het lijkt, want hoe zijn banden met de Securitate in het verleden zijn geweest en hoe hij zich als minister in de jaren negentig heeft gedragen bij de privatisering van de koopvaardijvloot is nooit helemaal opgehelderd.

Roemenië heeft ook geen superman of redder nodig. Het heeft een andere politieke cultuur nodig, en die komt niet met één referendum of met één parlementsverkiezing.