Met de Talibaan ging ook Panjshir verloren

In de Afghaanse Panjshir-vallei leven goede herinneringen aan oorlogsjaren. Het nooit bezette gebied verdiende goed aan de strijd tegen de Russen en de Talibaan. Nu is er gebrek aan alles en trekken inwoners weg.

Vroeger was alles beter, zegt de 42-jarige Lal Mohammad in de vallei van Panjshir. Iedereen had werk. Want bijna alle mannen van Panjshir vochten als frontsoldaten. Eerst tegen de Sovjet-Unie, later tegen de Talibaan. Geld was er in overvloed, afkomstig uit de Verenigde Staten of Groot-Brittannië. De oorlogsindustrie draaide meer dan twintig jaar op volle toeren in de vallei, ten noorden van de Afghaanse hoofdstad Kabul.

Maar sinds de val van de Talibaan is alles anders in Panjshir (panj shir betekent in het Perzisch vijf leeuwen). De geldstromen uit het buitenland zijn weggevallen. Meer dan de helft van de inwoners heeft de vallei verlaten. Naar schatting wonen er nu nog enkele honderdduizenden mensen. De lokale economie is ingestort. Vruchtbare landbouwgrond is slechts beperkt aanwezig. En verder? „Je hebt hier bergen, één rivier en verder niets”, zegt Mohammad. „Daarom ben ik ook naar Kabul gegaan, zoals de meeste Panjshiri’s. Voor werk.”

Panjshir is het enige gebied van Afghanistan dat nooit bezet is geweest tijdens de oorlogsjaren. Niet door de Sovjet-Unie, niet door de Talibaan. Oorzaak is dat de vallei zo ontoegankelijk is, ingeklemd tussen de kale uitlopers van het Hindukush-hooggebergte. Slechts een kronkelroute via een nauwe kloof, langs de kolkende Panjshir-rivier, leidt naar de vallei. Dreigend leunen de bergen over de weg heen.

Nu is een deel van deze route verhard. Het is een van de weinige zichtbare tekenen van wederopbouw sinds de verdrijving van de Talibaan eind 2001. Alleen is deze slingerweg, die Panjshir volledig doorkruist, slechts voor 30 procent geasfalteerd. Daar waar het asfalt ophoudt, liggen zand en stenen; onbegaanbaar als het regent of sneeuwt.

Lal Mohammad is afkomstig uit Marz, een dorpje waar de vooruitgang, in de vorm van een verhard wegdek, nog niet is gearriveerd. Om de drie weken gaat hij terug naar het gehucht, om zijn vrouw en kinderen te bezoeken. De voormalige vechter ziet er nog altijd uit als een stereotiepe mujahedeen. De karakteristieke pakool, de platte ronde kakikleurige muts, op zijn hoofd. Het legergroene vest. De shalwar kameez. Alleen de kalasjnikov ontbreekt. „Ik werk nu voor de overheid”, legt hij uit.

Marz ligt vlakbij de weg naar de provincie Nuristan, in het verleden de route waarover de mujahedeen hun wapens aanvoerden. Met ezels, die soms 140 kilo aan kogels op hun ruggen droegen, liepen mannen als Lal Mohammad vanaf de Pakistaanse grens, via Nuristan, weer terug naar Panjshir. „Dat waren mooie tijden”, zegt hij.

Ondanks het gebrek aan zo ongeveer alles zijn er geen hulporganisaties in de vallei. De eerstehulpkliniek, waar ooit nog Italiaanse artsen werkten, is al tijden gesloten. Vlak na de val van de Talibaan waren er voor korte tijd twee of drie buitenlandse organisaties aanwezig, maar volgens het kantoor van de Verenigde Naties in Panjshir dirigeert de regering in Kabul al tijden geen niet-gouvernementele organisaties meer naar het veilige Panjshir. Is het desinteresse van de centrale overheid? De VN durven het niet te zeggen.

Zelf voelen de trotse Tadzjiekse inwoners van Panjshir zich in de steek gelaten door de regering van president Hamid Karzai. Was het niet het verzet van de legendarische veldheer Ahmad Shah Massoud uit Panjshir – hij werd twee dagen voor de aanslagen van 11 september 2001 vermoord – dat de rest van de natie inspireerde tijdens de oorlog tegen de Sovjet-bezetter? Zonder Panjshir en zijn dappere Tadzjiekse strijders was Afghanistan toch ook nooit bevrijd van het Talibaan-regime?

Overal in Afghanistan, zo zegt ingenieur Khalil Ahmadi, zijn de problemen groot, maar in de provincie Panjshir zijn de vooruitzichten zeer somber. Ahmadi is hoofd van het team van ingenieurs van de VN-organisatie die verantwoordelijk is voor de aanleg van bruggen, wegen en elektriciteit in Panjshir. Van de ruim 230 dorpen in de vallei heeft slechts eenderde elektriciteit. Hij zegt: „De armoede is groot, de mensen zijn ongeletterd. Er is geen industrie. Het is niet vreemd dat zo veel mensen zijn weggetrokken.” Zelf is Ahmadi, een Pasthun, afkomstig uit de provincie Wardak, ten westen van de hoofdstad.

In het dorpje Marz is van het ‘nieuwe’ Afghanistan dan ook weinig te merken. „Wij hebben hier nog nooit iemand van de overheid gezien”, zegt de 26-jarige kruidenier Eqbulludin veelbetekenend. Zijn familie heeft al generaties lang een winkel in Marz. De zaak is een volgepropte ruimte met shampoos, zepen, koekjes, cakes, groente, melk en cola op de schappen. Veel van de artikelen zijn afkomstig uit de buurlanden Pakistan en Iran, want in Afghanistan worden vrijwel geen voorverpakte consumentenproducten geproduceerd.

Ook Eqbulludin herinnert zich betere tijden. Als jongen ging hij eens in de zoveel tijd, samen met zijn vader en nog zo’n tien andere winkeliers, met een grote truck naar Mazar-i-Sharif of Takhar om inkopen te doen. Dagenlang waren ze dan onderweg. Het waren riskante reisjes, waarop bandieten en Talibaan voor het grootste gevaar zorgden. „Maar als we eenmaal terug waren deden we hier goede zaken. De mensen hadden altijd geld, we draaiden hoge omzetten”, vertelt hij.

Sinds de democratie is gearriveerd in Panjshir hebben de inwoners maar weinig geld om bij de kruidenier te winkelen. Veel van Eqbulludins klanten zijn bovendien verhuisd naar Kabul. Hij zegt: „We redden het nu net elke maand, maar een vetpot is het niet. Panjshir is niet meer wat het geweest is.”