Humor was hun grootste kracht

FC Amsterdam was humor, een ijzersterke voorhoede, karakter, voorzitter Dé Stoop en lege tribunes in het Olympisch Stadion. De reünie van een cultclub die vaak voor stunts zorgde.

Jarenlang ben ik supporter

Er hangt een vaan boven mijn bed.

Met mijn vlag en met mijn toeter

Heb ik gehuild, had ik hier pret.

Als ik denk aan al die spelers.

Die ze van ons hebben geroofd.

Degradatie moest wel volgen.

Ach, de vlam was snel gedoofd.Zo zong André Hazes op de melodie van ’n Vriend over zijn FC Amsterdam. De inmiddels overleden volkszanger was oorspronkelijk een fanatieke supporter van de club, een samensmelting van DWS, Blauw Wit en De Volewijckers. In 1972 ontstaan en afgelopen zondag een kwart eeuw geleden opgeheven.

Oud-DWS’er Frits Flinkevleugel, het monument van de club, organiseerde vanuit zijn sigarenwinkel in de Kinkerstraat ook supportersreizen naar de uitwedstrijden van ‘De Lieverdjes’. Hazes reed vaak mee in de bus. Flinkevleugel: „Ik had er ook altijd een paar deftige dames bij. Maar toen die André een keer tegen de bus zagen plassen, hebben ze nooit meer een kaartje gekocht.”

Zaterdag kwamen de coryfeeën van toen bij elkaar voor een reünie. Arbiter Frans Derks floot een duel tussen twee generaties Lieverdjes: die van de periode ’72-’77 en ‘77-’82. En zo kreeg het publiek weer illustere namen te zien als Jan Jongbloed (keeper), Frits Flinkevleugel, Tjeerd Koopman, Chris Dekker en Leen van der Merkt. Van het befaamde aanvalstrio ontbrak Geert Meijer, maar Gerard van der Lem en de bonkige spits Nico Jansen waren wel van de partij. Tussen de pauzes door klonken oude reclamedeuntjes als: Ai, ai die Caballero, dat is pas een sigaret. Ja, ja, ja die Caballero, heb je dat, is je van het. En: Heerlijk, helder Heineken. „Er is zelfs aan de lege tribunes van destijds gedacht”, merkte een van de spelers op.

Toch was er wel wat publiek op afgekomen. Organisator Jan van Galen: „We vergeten dat Ajax vroeger ook slechts 7.000 toeschouwers trok. FC Amsterdam is door al die legendarische namen een cultclub geworden.”

FC Amsterdam werd geafficheerd met de onlangs overleden voorzitter Dé Stoop en trainer Pim van de Meent. Gezelligheid en sfeer voerden de boventoon. De humor is het karakter in de ploeg stond er niet voor niets op een tegeltje van het spelershome te lezen. Daar, in een ruimte boven in het Olympisch Stadion werd het nog wel eens laat. Op vrijdagmiddag, na de training, ging Flinkevleugel eerst zijn winkel sluiten om vervolgens haastig terug te keren. Dan werd tot twaalf uur ’s nachts gekaart en gegokt. Maandagavond was stapavond. Flinkevleugel: „Dan kwamen we wel eens met de bezorger van de ochtendkrant thuis.”

Maar op het veld stroopten De Lieverdjes de mouwen op. Dan kwam de vechtersmentaliteit van de straat naar boven. Piet Keizer (Ajax) en Coen Moulijn (Feyenoord) vonden het nooit leuk om tegen een kuitenbijter als Flinkevleugel te spelen. De befaamde rechtsback: „Met Piet wedde ik voor de wedstrijd altijd om een joetje (tien gulden) wie er zou winnen. We kregen 300 gulden voor een overwinning en 75 voor een gelijkspel. Coen zou ik volgens de pers een keer een doodschop hebben verkocht. Maar hij belde me daarna zelf op om te vertellen dat het allemaal wel meeviel. ‘Maak je geen zorgen kleine’, zei Moulijn. ‘De volgende keer laat ik je weer alle hoeken van de Lijnbaan zien.’”

Hoewel FC Amsterdam in 1976 degradeerde naar de eerste divisie, waren sommige prestaties legendarisch. Zoals de 4-2 overwinning op Ajax in De Meer (seizoen ’74-’75). En de 1-2 zege op Internazionale in 1974 voor de UEFA Cup, 2 goals van Nico Jansen in het San Siro. Aan de vooravond waande de ploeg zich zo kansloos dat werd besloten er maar een leuke reis van te maken. „In een tentje aan het Comomeer gaf Stoop op maandagavond een borrel die tot in de kleine uurtjes duurde”, herinnert Van de Meent zich. „Maar het zat in de ploeg dan toch te stunten.”

Van de Meent en zijn assistent Tonny Bruins Slot stroopten voor FC Amsterdam in de hoofdstad de amateurvelden af om spelers te zoeken. Daarmee werd in feite de basis gelegd voor een typische Amsterdamse mentaliteit. Utrechter Leen van der Merkt kwam echter van buiten de stad en had doorgetraind om goed voor de dag te komen. „Na de vakantie waren spelers als Flinkevleugel vreselijk bruin”, vertelt hij over de eerste kennismaking. „Ik stak daar met een bleke huid schril tegen af. ‘Heb jij je vakantie in de IJtunnel gevierd’, riep Flinkevleugel. „Ik was het boertje, maar zorgde er binnen een week voor dat er met mij niet te spotten viel.”

Zakenman Stoop hield de club financieel tien jaar in leven. „Hij heeft er elke seizoen tonnen bijgelegd”, weet Van de Meent. „Er waren weinig inkomsten aan recettes en reclame. Een technische speler als Van der Lem, afkomstig van Zeeburgia, bracht slechts 50.000 gulden op. Toch kreeg hij spijt van de liquidatie. Een paar jaar na de opheffing zaten we een keer samen in de auto en zei Stoop: ‘Als ik had geweten dat mijn liftenfabriek zoveel zou opbrengen, was ik doorgegaan.”

Rotterdam heeft drie profclubs, Amsterdam alleen Ajax met veel aanhang uit de provincie. „Elke grote stad in de wereld bezit minimaal twee grote voetbalteams”, zegt Van Galen met spijt. „Het Amsterdamse voetbalpubliek is heel kritisch en niet trouw.”