Het beeld zit de schrijver danig in de weg

Arnon Grunberg over J.M. A. Biesheuvel, die donderdag de P.C.Hooftprijs ontvangt.

Zijn Biesheuvels verhalen eigenlijk wel zo krankzinnig als altijd beweerd wordt?

Iedere schrijver zal wel eens te horen hebben gekregen: er komt weer geen normaal mens in uw boek voor. Deze opmerking is meer dan een gemeenplaats. Van literatuur wordt kennelijk verwacht dat zij het normale weerspiegelt. Veel gekker dan in het dagelijks leven mag het er in een roman niet aan toegaan.

Het is de vraag of deze verwachting terecht is. Als de romankunst ons iets heeft duidelijk gemaakt, van Cervantes via Kafka tot Hermans, dan is het wel dat niet geheel correcte interpretaties van de werkelijkheid noodlottige gevolgen kunnen hebben. En diezelfde romankunst toont keer op keer hoe moeilijk – misschien wel onmogelijk – het is om tot een sluitende interpretatie van jezelf en de wereld om je heen te komen. Wat betekent normaal in zo’n constellatie, anders dan sociaal geaccepteerd? En wat hier sociaal geaccepteerd is, is dat vijftig kilometer verderop weer niet. We mogen toch veronderstellen dat normaliteit iets universeels is, niet onderhevig aan de grillen van folklore.

De slogan van de antipsychiatrie dat ziekte een gezond antwoord zou zijn op een zieke wereld, heeft mij altijd verbaasd. De antipsychiatrie zag over het hoofd dat de eerste taak waarvoor de mens zich gesteld ziet is om te overleven in een zieke wereld, niet om toe te geven aan die zieke wereld. Ook de verheerlijking van allerlei geestesziektes en de aanbidding van de authenticiteit van psychiatrische patiënten houd ik voor een pervers genoegen.

Als vastgesteld kan worden of iemand geestesziek is, dan zou je ook moeten kunnen vaststellen dat iemand dat niet is, en dus normaal. De afwijking heeft symptomen, maar wat zijn de symptomen van het normale? Is het zinvol van romanpersonages vast te willen stellen of ze normaal zijn? Dat kan in sommige gevallen problematisch worden.

Het zijn niet uitsluitend ietwat naïeve lezers en beroepsinterviewers die het schema normaal/abnormaal met strakke hand hanteren. Achterin Biesboek, een autobiografisch fotoboek aangevuld met essays van collega’s en familieleden, schrijft Maarten ’t Hart: ‘Ik heb wel enig recht van spreken als ik beweer dat Biesheuvel helemaal niet zoveel fantasie heeft. Goed, maar waar haalt Biesheuvel dan zijn vreemde, wonderlijke, soms haast krankzinnige verhalen vandaan? Het antwoord daarop is: de dagelijkse realiteit reikt hem die gebeurtenissen aan.’

’t Hart zou dit natuurlijk ironisch bedoeld kunnen hebben, maar stel dat hij het meent, dan is het een curieuze redenering. Alleen al vanwege de manier waarop hij Biesheuvels verhalen typeert: vreemd, wonderlijk, haast krankzinnig. Deze drie adjectieven drukken vooral uit dat Biesheuvels verhalen volgens ’t Hart kennelijk niet helemaal normaal zijn. Als a priori wordt vastgesteld dat Biesheuvels verhalen wonderlijk en haast krankzinnig zijn, leest men niet meer wat er staat. Want krankzinnig en vreemd zijn ze niet, ondanks de surrealistische passages her en der.

In het mooie verhaal Vertrek van een boomvarken voert Biesheuvel een denkend boomvarken op. Dat boomvarken zit op een boot in een kooi en zal tijdens de reis geslacht worden. Ik heb bedenkingen bij sprekende en denkende dieren, maar dit verhaal heeft mij overtuigd van dit al te menselijke boomvarken. Als de reis net is begonnen denkt het boomvarken: ‘Ik ben mensenschuw geweest en ben het nog. Ik heb mijn nageslacht geleerd mensenschuw te zijn: je moet oppassen dat je niet ziek wordt, dat je niet valt of in een klem loopt want dan ga je dood. Hoe langer je leeft hoe beter. Het leven is mooi voor een boomvarken als je maar in een goed bos zit.’ Dit lijkt mij geen krankzinnig boomvarken. Zijn gedachten zijn navoelbaar en rationeel, ietwat melancholisch wellicht maar dat is gezien zijn situatie begrijpelijk. Er spreekt een hang naar het normale uit dit boomvarken. Een hang die de meeste van Biesheuvels verhalen typeert, en die soms op de grens van het truttige balanceert. Biesheuvel onderzoekt de symptomen van het normale, en dat sommigen zijn verhalen desondanks aanzien voor krankzinnig, geeft te denken.

Biesheuvel heeft enige tijd in een psychiatrische inrichting gezeten. Het veelvuldig gebruik van deze ervaring dreigt het op zichzelf aangrijpende verhaal eendimensionaal te maken en dat heeft onvermijdelijk weerslag op de manier waarop de lezer de verhalen leest.

Op veel bundels staat Biesheuvel op de achterflap met een beest in zijn armen. Vast goed voor de verkoop, maar het draagt ook bij aan het beeld van: wonderlijk en toch zeer vertederend. Een schrijver kan ergernis oproepen, onverschilligheid, wellicht bewondering, maar geen tederheid. Een schrijver die tederheid oproept heeft geen literaire carrière meer.

Het beeld van Biesheuvel zit de tekst in de weg en vaak lijkt het alsof dat beeld bedoeld is als excuus om de tekst zelf niet meer serieus te nemen. Dat is zonde. Want de tekst is beter en interessanter dan het aftreksel dat tot ons komt via de publieke persoon.

Zo schuilt er in Biesheuvel een Roald Dahl; je zou ook kunnen zeggen dat er in Roald Dahl een Biesheuvel schuilt. De vergelijking van de ene schrijver met de andere houdt altijd iets gemakzuchtigs, maar de suspense, het venijn, het onverhulde plezier waarmee personages naar hun vreselijke einde worden gevoerd, al die kwaliteiten van de betere verhalen voor volwassenen van Dahl, vindt men vaak ook bij Biesheuvel.

Een mooi voorbeeld hiervan is het korte verhaal Een hachelijke oversteek over Meneer Fuchs. Deze meneer Fuchs heeft een motorbootje en dat motorbootje is zijn lust en zijn leven. Maar meneer Fuchs is voorzichtig, hij doet geen gekke dingen met dat bootje. Hij is bij uitstek een normaal mens, op het truttige af. Hij vaart alleen van Zierikzee naar Colijnsplaat bij mooi weer, maar tegenover andere schippers wekt hij de suggestie dat hij wel gevaarlijkere tochtjes onderneemt. Ook dat maakt meneer Fuchs tot een normaal mens.

Tijdens het lezen van dit spannende verhaal wordt gaandeweg duidelijk wat de symptomen van normaliteit zijn: de angst voor het verlies ervan, de vrees voor het einde van een situatie die gekenmerkt kan worden als normaal. Zoals meneer Fuchs vreest de controle over zijn motorbootje kwijt te raken – en dat ondanks al zijn voorzorgsmaatregelen kwijtraakt – zo vreest hij de normaliteit te verlaten en terecht te komen op een plek waar ongewisheid heerst.

Karel van het Reve schreef een essay waarin hij het werk van Tsjechov vergeleek met dat van Biesheuvel. Van het Reve noemt Biesheuvel en Tsjechov naïeve schrijvers vanwege de manier waarop zij ge- en verboden aan hun laars lappen. Beide schrijvers hebben een voorkeur voor clichés en gemeenplaatsen. Ik vrees inderdaad dat Biesheuvel op menige schrijversschool een draai om zijn oren zou hebben gekregen, maar ik vraag me vooral ook af waarom Biesheuvel zo verzot is op bepaalde gemeenplaatsen. En daar geeft Van het Reve eigenlijk geen enkele reden voor.

Volgens mij heeft het ermee te maken dat een cliché per definitie doodnormaal is en dat zo’n cliché dus ook aan minder gebruikelijke taferelen de schijn van normaliteit verleent.

De belangrijke plaats die het schrijven zelf inneemt in de verhalen van Biesheuvel, is het laatste opvallende detail dat ik wil vermelden. Wat de motorboot is voor Fuchs, lijkt het schrijven voor Biesheuvel te zijn.

Nogal wat verhalen gaan direct over het schrijven, andere beginnen plompverloren zo, als ging het om een opzet voor het verhaal: ‘Het gaat over een man die zich mislukt voelt.’

Uit het oeuvre van Biesheuvel blijkt dat je niet altijd een motorbootje nodig hebt om je demonen te bezweren, en eraan ten onder te gaan. Ook literatuur kan zeer bezwerend werken, zowel voor de schrijver als de lezer. Dat is misschien niet direct een literair criterium, maar je moet wel een fanatieke purist zijn om een oeuvre zoals dit uitsluitend met strikt literaire criteria te lijf te willen gaan.

De poging tot bezwering is nu eenmaal een belangrijke rechtvaardiging voor alles wat verhaal is en dat wil zijn. Of in de woorden van Biesheuvel zelf: „Een mens moet zijn demonen hebben,” zei hij, „er moet iets zijn waar je bang voor bent anders ben je geen vent”.

De gehele tekst is te lezen op www.nrc.nl/boeken