Geluiden van de mensen zelf

De camera vliegt over Caracas. Je weet niet goed wat je ziet. Is dat en vuilnishoop? Wel heel groot. Of wonen er mensen? Ja, het zijn huisjes, wordt duidelijk als de camera wat dichterbij komt. Heel veel kleine wankele bouwsels, héél veel. „De informele stad,” zegt één van de twee architecten die in Tegenlicht gevolgd werden, „maakt ongeveer zestig procent van de totale stad uit.” Informeel betekent: mensen die van buiten naar Caracas zijn gekomen en daar iets gebouwd hebben op de heuvels. Slecht gefundeerde huizen, op zijn best opgetrokken uit krummelige betonstaketsels, goedkope stenen en lekkende rioolbuizen, losjes verbonden met de elektriciteitsvoorziening.

De architecten maken eenvoudige, uitvoerbare plannen voor de grote ‘barrios’, de informele wijken. Ze bedachten een soort staketsel waarin voorzieningen als riolering en elektriciteit voor iedereen bereikbaar zijn, mensen kunnen dan zelf in het skelet een woning aanleggen. Ze ontwierpen en bouwden een verticale sporthal, waar de renbaan, het basketbal veld en de turnzaal bóven elkaar in plaats van naast elkaar liggen. De stad heeft water genoeg, mooi schoon water, maar het stroomt gewoon weg. Een eenvoudig ontwerp van de architecten moet dat in de toekomst voorkomen.

Aan deze twee ondernemende, praktische en betrokken mannen moest je vanzelf denken tijdens de kabinetsshow gisteren bij Knevel & Van den Brink. Waarschijnlijk zitten alle ministers te wachten op zulke types. Mensen die zonder eerst miljoenen euro’s subsidie te vragen gewoon iets verzinnen, iets dat werkt en z’n geld weer oplevert. Maar ja, zouden ze hier ooit de kans krijgen om hun ideeën uit te voeren, of zouden dan weer zoveel ingewikkelde trajecten doorlopen moeten worden dat er tóch niets zou gebeuren? Het laatste lijkt waarschijnlijker, tenminste als je mag afgaan op de ervaringen van een hulpverleenster in de jeugdzorg die vertelde dat ze soms wel langs twaalf instanties moest met haar rapportage van zestien formulieren over één geval van kindermishandeling en dan uiteindelijk het kind in kwestie op een wachtlijst geplaatst zag, in plaats van dat het geholpen werd. Dat kan zo niet, vond de minister-president ook: „Kindermishandeling kan echt sneller, moet ook sneller”, zei hij met zijn gebruikelijke snelheid. Zo ging het eigenlijk steeds. Ze hadden van alles gehoord van „de mensen zelf” en allerlei „geluiden uit de samenleving” opgevangen, maar wat ze nu concreet gingen doen wilden ze niet zeggen, de ministers en staatssecretarissen die daar zo braaf op het tribunetje van Knevel en Van den Brink zaten te wachten of ze misschien een beurt kregen. Geen gezicht was het eerlijk gezegd, zo wil je je bestuurders liever niet zien. En je wilt ze ook niet de hele tijd van die stomme zinnetjes horen zeggen, Balkenende almaar in de je-vorm, over zijn ervaringen met slachtoffers van zinloos geweld: „dat doe je heel bescheiden”, „je zit met de mensen om de tafel”, „dan heb je verdriet”. Wouter Bos die altijd te lang praat en wel vier keer zei dat mensen niet het gevoel moeten hebben „dat ze er alleen vóórstaan” in plaats van „alléén voor staan”, wat hij vermoedelijk bedoelde.

Om nog niet te spreken van presentator Van den Brink die het bestaat om aan minister Cramer van milieu als enige vraag te stellen: „Wie is de meest galante man in dit kabinet?”en een beetje pissig doet als ze geen zin heeft daar uitspraken over te doen. Wel weer een fijne nieuwe uitdrukking geleerd, van Balkenende natuurlijk: „Als je rottigheid veroorzaakt dan moet je daar ook maar de zure druiven van plukken.” Zo is het!

Discussieer over deze column op www.nrc.nl/ogen