Etnisch opsporen is ‘bedenkelijk’

De bestuursrechter heeft terecht geoordeeld dat voormalig staatssecretaris Rutte heeft gediscrimineerd op ras, zeggen deskundigen. „De uitspraak in deze zaak is uniek.”

Antoinette Reerink

Voormalig staatssecretaris van Sociale Zaken Mark Rutte (VVD) is de eerste bewindspersoon die door een rechter verantwoordelijk wordt gehouden voor rassendiscriminatie. Deskundigen op het gebied van bestuursrecht, sociale zekerheidsrecht en discriminatierecht kennen geen vergelijkbare voorbeelden. En ze geven de bestuursrechter in Haarlem, die Rutte eerder deze maand in een uitspraak terechtwees, gelijk.

Rutte, die nu politiek leider is van de liberalen, schreef begin 2003, toen hij nog staatssecretaris was, een brief aan de gemeentelijke sociale diensten. Daarin riep hij hen op extra aandacht te besteden aan Somaliërs met een bijstandsuitkering, omdat er tientallen gevallen bekend waren van Somaliërs die fraudeerden. Ze emigreerden naar Groot-Brittannië, terwijl ze in Nederland nog steeds een bijstandsuitkering kregen. Voor de gemeente Haarlem was de brief aanleiding om in 2004 een onderzoek te beginnen naar deze bevolkingsgroep.

Een bedenkelijke praktijk, zegt de Nijmeegse hoogleraar bestuursrecht R. Schlössels. „Maar het is geen onbekend verschijnsel. Ook in andere rechtsgebieden zie je dat er op basis van zogenoemde risicoprofielen gericht onderzoek wordt gedaan naar bevolkingsgroepen. Opsporingsdiensten maken selecties op basis van criteria als etnische afkomst.”

Het probleem is, zegt Schlössels, dat daarmee de juridische basisregel wordt geschonden dat opsporingsonderzoek naar personen alleen toegestaan is als er een concrete verdenking bestaat. „Er moet een redelijk vermoeden van schuld zijn. Maar dat is er niet. De verdenking is gebaseerd op het gegeven dat de persoon behoort tot een bepaalde bevolkingsgroep.”

„Het werken met risicoprofielen is an sich niet verboden”, zegt Malva Driessen, universitair docent sociale zekerheidsrecht in Maastricht. „De Sociale Verzekeringsbank bijvoorbeeld doet onderzoek naar AOW’ers die op campings wonen, om te controleren of ze niet stiekem samenwonen.” Maar selecteren op basis van ras, dat mag „natuurlijk” niet, zegt ze.

De zaak waar de Haarlemse bestuursrechter uitspraak over deed, was aangespannen door een Somalische man die op straat door sociaal rechercheurs werd aangesproken wegens zijn huidskleur en het spreken van een vreemde taal. De controleurs wilden met hem mee naar huis, om te controleren of hij wel in Haarlem woonde, maar hij weigerde daaraan mee te werken. Daarop werd zijn uitkering ingetrokken.

De bestuursrechter in Haarlem verwerpt deze gang van zaken op grond van artikel 1 van de Grondwet. Daarin staat dat „allen die zich in Nederland bevinden in gelijke gevallen gelijk behandeld” worden en dat „discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook” niet is toegestaan.

Art.1 (voorheen Landelijk Bureau bestrijding Rassendiscriminatie), de landelijke organisatie tegen discriminatie, vindt de uitspraak over Rutte kenmerkend voor een steeds terugkerend dilemma. Juridisch medewerker Dick Houtzager van het bureau: „Natuurlijk is het gerechtvaardigd maatregelen te nemen tegen zaken als fraude. Het gaat alleen om de vraag op grond van welke kenmerken je groepen gaat selecteren.”

Volgens Dick Houtzager is de uitspraak in Ruttes zaak uniek. „Het is een van de eerste zaken waarin een overheidsmaatregel zo nadrukkelijk in strijd met het gelijkheidsbeginsel wordt gevonden.” Er zijn sowieso niet zoveel rechtszaken over discriminatie, want mensen nemen meestal genoegen met een uitspraak van de Commissie Gelijke Behandeling (CGB), hoewel die niet bindend is. De Somaliër die naar de rechter ging heeft zijn zaak doorgezet. Dat is uitzonderlijk.

Ook de CGB boog zich in januari vorig jaar over de zaak van de Somaliërs. De commissie oordeelde toen ook al dat hier sprake was van „direct onderscheid op grond van ras”, en dat dit verboden is. Maar dan op basis van een ander wetsartikel: artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Wet Gelijke Behandeling. Dit artikel verbiedt het maken van onderscheid op grond van ras in de sociale zekerheid.

De gemeente Haarlem weet nog niet of zij in beroep gaat. Dat moet uiterlijk half juni duidelijk worden.