Een vraag aan de katholieken

In zijn romantrilogie Kroniek van het vuur (1982), een machtig mozaïek samengesteld uit talloze verhalen en historische fragmenten, vertelt de Uruguayaanse schrijver Eduardo Galeano, een van de iconen van de Zuid-Amerikaanse literatuur, de geschiedenis van zijn continent. Een vaak gruwelijke geschiedenis. Pater Bartolomé de Las Casas schrijft in 1531 uit Santo Domingo naar de Raad van Indië in Madrid: „Voor de Indianen was het beter geweest naar de hel te gaan met hun ongelovigheid, met hun traagheid en door niets of niemand bijgestaan, dan door de christenen te worden verlost. De smartelijke kreten van zoveel vergoten menselijk bloed dringen reeds door tot in de hemel: van hen die levend worden verbrand, aan het spit worden geroosterd, voor de woeste honden worden geworpen…”

De kerstening en de onderwerping waren geen gescheiden ondernemingen. De martelingen en massamoorden waarmee het kruis in de Nieuwe Wereld is geplant, zijn onbeschrijflijk. Maar er was enig theologisch debat over. In hetzelfde jaar 1531 wierp bisschop Zumárraga van Mexico, zo verhaalt Galeano, de oude handschriften van de Azteken op de brandstapel, door de hand van de Duivel beschilderde paperassen, en vernietigde vijfhonderd tempels en twintigduizend afgodsbeelden. De bisschop was tevens de officiële, door de Spaanse koning aangestelde ‘Beschermer van de indianen’, wat inhield dat hij de bewaarder was van het ijzer dat in het gezicht van de indianen de naam van hun eigenaar brandde.

In de pauselijke bul Sublimis Deus maakte Paulus III in 1537 bekend dat indianen menselijke wezens zijn, wat overigens voor het brandmerken en folteren geen verschil maakte.

In de Nederlandse vertaling beslaat de Kroniek van het vuur 920 pagina’s. Ik vraag me af of paus Benedictus het boek gelezen heeft en als dat niet zo is – want waarom zou een paus zich in de Zuid-Amerikaanse letterkunde verdiepen – welke historische bronnen hij heeft geraadpleegd ter ondersteuning van zijn opzienbarende uitspraak dat de kerstening van de indianen nooit een kwestie van geweld en dwang is geweest. „De komst van Jezus en van zijn Evangelie veronderstelde op geen enkel moment een vervreemding van de pre-Columbiaanse culturen, en is nooit het opleggen van een vreemde cultuur geweest.” Integendeel, de ongekerstende volken waren volgens de paus bezield door een heimelijk verlangen om christenen te worden.

Waarom zou het paus Benedictus onmogelijk zijn om na een half millennium de medeplichtigheid van de katholieke kerk aan de uitroeiing van de indiaanse culturen in Zuid-Amerika – en aan de fysieke uitroeiing van het merendeel van de indianen zelf – toe te geven, en een mea culpa uit te spreken, een moreel oordeel dat eventueel kan worden geplaatst in een historische context?

Het Vaticaan doet alles weloverwogen. De paus had een specifieke bedoeling – zijn historische leugen stond in het teken van een polemiek tegen de als links beschouwde regeringen in onder meer Brazilië en Venezuela. Geen wonder dat de Venezolaanse president Chávez, zelf katholiek, maar ook een soort linkse populist en bewonderaar van Fidel Castro, woedend reageerde en excuses van de paus eist.

Het was weer als vanouds: ‘tegen de revolutie het evangelie’. De paus greep zijn bezoek aan Brazilië aan om een nieuwe banvloek uit te spreken over het marxisme. Dat „heeft niet alleen een trieste erfenis achterlaten van economische en ecologische vernietiging, maar ook een pijnlijke destructie van de menselijke geest.” Voor zover men de communistische dictaturen als product van het marxisme wil aanmerken, heeft hij daarin onbetwistbaar gelijk. Maar de Heilige Vader had, als het gaat over economische vernietiging, destructie van de menselijke geest en armoede in het door hem bezochte continent, beter de hand in eigen boezem kunnen steken.

En dan heb ik het niet alleen over historische verantwoording, maar ook over de actualiteit. De problemen waar de armen in Latijns-Amerika mee kampen, komen geen stap dichter bij een oplossing door de zedenprekerij van Benedictus, zijn fulmineren tegen abortus en voorbehoedsmiddelen, zijn eis dat het katholieke onderwijs in Brazilië verplicht wordt gesteld. Integendeel, de katholieke kerk laadt nieuwe schuld op zich door miljoenen vrouwen te veroordelen tot illegale levensbedreigende abortussen en talloze anderen te veroordelen tot aids door het verbod op condooms. Ik denk dat het niet overdreven is om dit te bestempelen tot een misdaad tegen de menselijkheid.

In de tijd van de conquistadores, die vergezeld van paters hun bloedige handwerk bedreven, bestond het begrip misdaad tegen de menselijkheid nog niet, evenmin als het begrip genocide. Wat altijd heeft bestaan, ook toen, was een besef dat volkenmoord immoreel en onmenselijk is en in ieder geval ook, voor zover het de kerk betreft, het omgekeerde van wat wordt geëist door de christelijke naastenliefde.

Voelt de rooms-katholieke kerk zich zo verheven boven de menselijke geschiedenis dat zij zich ontslagen acht van het afleggen van historische rekenschap? Deze vraag mag men ook stellen aan individuele katholieken. Het is toch bizar dat van iedereen met een Turkse achtergrond gevraagd, nee geëist wordt te erkennen dat Turkije zich in de Eerste Wereldoorlog schuldig heeft gemaakt aan genocide op het Armeense volk, terwijl mensen met een katholieke achtergrond het voor zoete koek slikken dat hun paus zich bezondigt aan de meest flagrante historische leugens over de genocide op de indianen, die hij botweg ontkent?

De Nederlandse katholieken zwijgen. Minister Maxime Verhagen van Buitenlandse Zaken houdt zijn mond. In juni gaat Limburg gezellig feest vieren omdat paus Benedictus een pastoor uit Munstergeleen heilig heeft verklaard. Deze had in 1999 een gebed om genezing verhoord van iemand met darmklachten. Voor het herstel was medisch geen verklaring.O wonder, mysterie en autoriteit – de wonderbaarlijke genezing van een Limburgse darmpatiënt is een teken van de liefde Gods en de macht van de kerk, de massamoord op miljoenen in Zuid-Amerika valt daarbij in het niet. Wil iemand die rooms-katholiek is, mij dit uitleggen?