Drank en seks

In Sri Lanka zijn pottenkijkers niet welkom. En het kost de nodige moeite om je chauffeur niet langs de geijkte toeristische hoogtepunten te laten rijden.

De man die ons rondrijdt in Sri Lanka weet niet wat hij met ons aan moet. Het probleem is dat wij hier al eens eerder waren en er geen behoefte aan hebben om voor de tweede keer de toeristische hoogtepunten langs te gaan. Als we Gunèh zover hebben gekregen dat hij ons naar een inheems eethuis brengt, ziet hij sceptisch toe hoe wij volgens ’s lands wijs met onze handen curry eten, buffelyoghurt met honing lepelen en arak met olifantsappel drinken. Vooral dat laatste bevalt hem niet. „No good”, mompelt hij.

Terug in het hotel bestellen we nog een slaapmutsje. Een jonge kelner, die de drankjes op de kamer brengt, grijpt de gelegenheid aan om ons discreet zijn ‘personal love service’ aan te bieden. Hij krijgt te horen dat we hem niet nodig hebben.

Vroeg in de morgen haalt Gunèh ons op. Er kan amper een groet van af. Pas als we voor een spoorwegovergang staan en er een trein langs dendert, doet hij zijn mond open. Hij tikt op zijn horloge. „Precies op tijd”, stelt hij vast. Hij wil weten of we in Holland ook een trein hebben. „Een heleboel”, zegt Gerarda, „maar niet één die zo mooi op tijd rijdt”.

Gunèh moet remmen voor een fietser die over de weg slingert. Hij gromt dat Sri Lanka ten onder gaat aan drank en seks. Daar kunnen wij over meepraten! Ik vertel hem wat ons is overkomen met de jonge kelner. Hij briest: „Weet u hoe hij heet, dan ga meteen terug!” Het lukt ons hem op andere gedachten te brengen. We beloven hem een extraatje als hij ons naar de vismarkt van Chilaw brengt. Het motregent. De inwoners staren naar ons vanuit hun krotten. De marktkooplui schoppen dolfijnenkoppen onder hun kramen. Pottenkijkers zijn hier niet welkom.

Wij zijn er stil van, maar Gunèh zit op zijn praatstoel. Hij voorspelt dat de arme stakkers van Chilaw het in een volgend leven beter krijgen. Omdat het hiernamaals blijkbaar geen geheimen voor hem kent, vraagt Gerarda waarom langs de wegen rond Colombo de olifantsgod Ganesh en Sint Antonius zo broederlijk naast elkaar staan. Dat komt, zegt Gunèh met grote stelligheid, omdat alle godsdiensten gelijk zijn. Hij biedt aan ons een plaats te laten zien „waar mensen van alle geloven bij elkaar zijn begraven nadat ze dood zijn gegaan: boeddhisten, moslims, christenen en hindoes.” En hij voegt eraan toe: „Alleen hebben ze die wel eerst verbrand.”

Nadat hij ons de begraafplaats heeft getoond, rijdt hij ons naar heiligdommen die zowel door boeddhisten als hindoes worden bezocht. Ook brengt hij ons naar geestelijken van diverse richtingen. Duidelijk is wel: dit is een bijzondere reis.

We raken eraan gewend dat Gunèh in de ochtend niet aanspreekbaar is en in de loop van de dag opknapt. Zodra zijn werk erop zit, trekt hij zijn sarong aan ‘om te mediteren’. Op een avond zien we zijn auto bij een tempel. We werpen een blik naar binnen en lopen door. Gunèh gooit het portier open en roept met een dikke tong dat het zijn nichtje is. We ruiken alcohol.

Onze chauffeur geeft de volgende dag geen krimp. Wij ook niet. Tegen het eind van de reis brengt hij ons naar Kataragama, de mysterieuze bedevaartplaats aan de zuidkust, waar sinds de prehistorie vele duizenden pelgrims van verschillende levensbeschouwingen naar toe trekken.

De sfeer is vredig. Vlak voor onze voeten breekt de aarde open. Een witte wolk termieten zwermt uit om te gaan hemelen. We sluiten ons aan bij de rij bedevaartgangers die, voorafgegaan door een heilige olifant, fruit- en bloemenoffers aan de hindoegoden brengt.

Gunèh fluistert: „U bent de enige toeristen, omdat ik de enige chauffeur ben die hier naar toegaat, de anderen grijpen ’s avonds allemaal naar de fles.” „Boffen wij even dat jij daar niet van houdt”, fluistert Gerarda terug.