Dialoogfeest of politieke charade?

Helemaal honderd dagen was het dus niet, dat ministeriële oriëntatieproces bij de kiezers in het land, ver van de „achterkamertjes in Den Haag”, zoals vicepremier Bos gisteren nog eens zei. Maar goed, nu hebben de burgers minister Donner in een driedelig pak zien metselen, en minister Klink in operatietenue gezien, minister Plasterk in de schoolbankjes en minister Vogelaar op pad in haar toekomstige prachtwijken. En op de buis en de foto’s kon je zien dat al die ongedwongen ontmoetingen, al die directe contacten, de omstanders goed bevielen. Ze lachten veel en vaak, een beetje zoals mensen doen bij een bezoek van de koningin. Aardige mensen toch, die ministers, de democratie hoeft helemaal niet saai en grijs te zijn, dat is velen tussen Hoensbroek en Appingedam nu wel gebleken.

Wat een blije ploeg trouwens ook, dat vierde kabinet-Balkenende, de dames en heren bleven maar lachen, gisteravond in de talkshow van de EO’ers Knevel en Van den Brink. Nee, dat zit wel goed, voor onvertogen woorden, laat staan voor ruzie in de ministerraad behoeft tot 2010 niet te worden gevreesd. Vanwege de EO kreeg minister Vogelaar de zogeheten ‘Dialoogprijs’, zij eindigde qua dialoogfrequentie vlak voor de heren Rouvoet en Donner. Dolletjes, dat moest maar een jaarlijkse prijs worden.

En voortaan dus ook geen Haags achterkamertjesoverleg meer? Uitgerekend Bos zal als minister van Financiën in dergelijke akelig besloten achterkamertjes toch weleens zaken moeten doen, bijvoorbeeld bij het voorbereiden van de Voorjaarsnota of het bewaken van de budgetten van de van kiezersgeluk dromende collega’s? Want, zoveel is zeker over het komende beleidsplan van het kabinet, de in het land verzamelde suggesties en verlanglijsten zullen, nog los van hun wenselijkheid of uitvoerbaarheid, in hun totaliteit onbetaalbaar zijn. Wat dat betreft zal het snoeimes van Bos de komende weken in het kabinet steeds boven de tafel (moeten) hangen.

Dat is niets nieuws, het hoort bij de rol van de minister van Financiën, dat weten Bos en zijn collega’s ook, maar zouden al die aangesproken mensen in het land, die buurthuiswerkers en jeugdzorgers, politieagenten en leraren dat zometeen ook begrijpen, wanneer dat budgettair door Bos op maat getrimde beleidsplan verschijnt? Het risico van gisteren gewekte (te) hoge verwachtingen en een flinke teleurstelling morgen, met een bijbehorende katerstemming dan, hangt in de lucht.

Gaat het hier trouwens om democratische genegenheid voor het volk of wellicht ook om een zeker gebrek aan zelfvertrouwen, van enige in Fortuynse dagen gegroeide angst voor dat volk misschien? Hebben we in dat laatste geval zelfs bijna met een onbedoelde charade te maken? Wonderlijke kanten heeft het afgekondigde oriëntatieproces immers wel. In het artikel ‘Lekker samen besturen’ in het Zaterdags Bijvoegsel van 19 mei komt politicoloog Gerrit Voerman, directeur Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen in Groningen, daarover aan het woord. Een citaat: „[...] Het is vreemd: partijen vragen steun van de kiezer voor hun verkiezingsprogramma’s, en op basis daarvan wordt een regeerakkoord geschreven. En als dat klaar is, wil de politiek opnieuw van de kiezer weten wat er moet gebeuren. Het betekent dat je óf je werk niet goed hebt gedaan of het nog een keer overdoet.” Kortom, zo lijkt me, ergens is hier iemand voor de gek gehouden, het zal toch niet de kiezer zijn?

Het parlement komt er in het ministeriële oriëntatieplan voorshands bekaaid af. De regering had de modaliteiten van haar beleidsplan, eventueel de uiteenlopende opties erin, in feite eerst aan de Tweede Kamer moeten voorleggen. Het beleidsplan moet immers de ‘invulling’ zijn van het regeerakkoord waarmee een meerderheid van de Tweede Kamer heeft ingestemd. Nu lijkt de Kamer binnenkort een stuk te krijgen waarvan de gevoeligste thema’s „in het land besproken zijn” en dus al onder politieke druk zijn komen te staan.

Dat de publieke aandacht en waardering de afgelopen decennia zijn verschoven ten nadele van het parlement, en dat het kabinet, waarin de politieke zwaargewichten van de coalitiepartijen zitten, zich vrij voelt om nu in talkshows en anderszins te procederen zoals het doet, wordt zo geïllustreerd. Met de parlementaire oppositie, die zich over haar tijdelijke werkeloosheid beklaagt, behoeft men geen medelijden te hebben. Marijnissens SP redt zich in de eigen dialoog met de kiezers vast nog wel even. De VVD en D66 herinneren zich hoe zij tijdens ‘paars’ het oppositionele CDA buiten de gang der dingen probeerden te houden.

Overigens is de vraag of de meeste kiezers niet eenvoudig de voorkeur geven aan goed, helder bestuur, zonder onzekere ministers die almaar naar hun mening komen vragen.

J.M. Bik is medewerker van NRC Handelsblad.