De Palestijnen in Libanon zijn outcasts

Op sympathie van de Libanezen hoeft de Palestijnse groep extremisten Fatah al-Islam niet te rekenen. De 400.000 Palestijnen zijn outcasts in Libanon.

Inwoners van de Noord-Libanese stad Tripoli juichten zondag de Libanese regeringstroepen toe die met tanks, artillerie en machinegeweren de Palestijnse extremistengroep Fatah al-Islam in het naburige vluchtelingenkamp Nahr al-Bared bestookten.

Het gejuich weerspiegelde de algemene stemming onder de Libanese burgerij over de in totaal twaalf Palestijnse kampen, die onderdak bieden aan 220.000 vluchtelingen maar ook een vrijhaven zijn voor een groot aantal min of meer extremistische gewapende politieke facties en voor gewone criminelen. Het Libanese leger mag er immers niet binnen komen, zo bepaalt een akkoord uit 1969 tussen de toenmalige Libanese legerleider en de Palestijnse leider Yasser Arafat, die indertijd een macht van belang vertegenwoordigde.

„Dat hadden we net nodig, die griezelige gasten in de Palestijnse kampen”, schreef gisteren weblogger Fadi van het Lebanese Blogger Forum over Fatah al-Islam. Er is geen sprake van dat de Palestijnen in Libanon zullen mogen blijven in het (voorlopig theoretische) geval van een Israëlisch-Palestijnse vrede.

De Palestijnse aanwezigheid in Libanon is een gevolg van de Arabisch-Israëlische oorlog van 1948. Honderdduizenden Palestijnen sloegen op de vlucht of werden verdreven, en eindigden in Libanon, Jordanië, Syrië en andere landen. In latere oorlogen in de regio kwamen er nog vluchtelingen bij; wie geld en mogelijkheden had reisde door naar betere opvanglanden. In totaal leven er volgens de VN-organisatie voor Palestijnse vluchtelingen UNRWA nu ruim 400.000 geregistreerde Palestijnse vluchtelingen in en buiten de kampen in Libanon, 10 procent van de totale Libanese bevolking.

De Palestijnen in Libanon zijn outcasts en leven grotendeels van de internationale bedeling. Palestijnse vluchtelingen hebben geen politieke, sociale of civiele rechten in Libanon. Ze zijn volstrekt afhankelijk van het UNRWA voor onderwijs, gezondheidszorg en werk. Bij wet zijn ze van de meeste beroepen uitgesloten: zo is werk als kapper, als arts en bij de overheid verboden. Particuliere ondernemers willen hen nog wel in dienst nemen, omdat ze bereid zijn onder de prijs te werken.

De Libanese regering praat wel over verbeteringen maar komt niet tot handelen, omdat het verlenen van rechten aan de Palestijnen wordt gezien als stap naar permanent verblijf. En dat is ongewenst, al was het maar omdat de Palestijnen bijna allemaal sunnieten zijn, en het wankele evenwicht tussen de Libanese etnische en religieuze groepen door hun integratie zou worden verstoord. Volgens het UNRWA telt de Palestijnse bevolking in Libanon het hoogste percentage (12) schrijnende gevallen van alle Palestijnse gemeenschappen waar de organisatie werkt.

De geschiedenis van de Palestijnse kampen is zeer gewelddadig. De Palestijnen werden in de jaren zestig en zeventig een staat in de staat, en in de Libanese burgeroorlog (1975-1990) werd met hen afgerekend. De kampen werden doelwit van christelijke milities die de steun hadden van Israël (het bloedbad in Sabra en Shatila in 1982) en shi’itische milities (de jarenlange kampenoorlog).

Binnen de kampen vechten de verschillende Palestijnse guerrillagroepen permanent hun onderlinge machtsstrijd uit. Rekruten genoeg, wapens genoeg. Getuige de huidige gevechtsronde tussen het Libanese leger en Fatah al-Islam.