Alleen samen kom je tot een prachtwijk

Afgelopen zaterdag stelde Godfried Engbersen zes stappen voor om van probleemwijk naar prachtwijk te komen (Opinie & Debat, 19 mei). In dat verhaal staat weinig wat niet klopt. Het probleem is echter dat er meer nodig is om minister Vogelaar succesvol te laten zijn. Laten we de voorstellen van Engbersen kort bekijken.

Voorstel 1: stel een krachtig persoon aan. Dat is ongetwijfeld belangrijk. De belangrijkste krachtige persoon op de juiste plek is er al: minister Vogelaar. Maar zij zal het allemaal wel nog waar moeten maken. Voorstel 2: zoek steun bij andere ministers. Dat is niets nieuws, dat gebeurde in het Grotestedenbeleid (GSB) van de afgelopen jaren al. Voorstel 3: stel een heldere diagnose. Ook daarop valt niets af te dingen. Opvallend is dat Engbersen verzuimt te melden dat minister Vogelaar hier blijkbaar niet veel waarde aan hecht: zij vond het nodig om kort na haar aantreden veertig wijken tot probleemwijk te benoemen. Voorstel 4: doe zaken met andere partijen. Ook dat moet gebeuren, maar is niets nieuws: de stedelijke vernieuwing is van de grond gekomen door samenwerking tussen gemeenten en woningcorporaties. Voorstel 5: kijk voorbij de wijk. Een belangrijke les, maar ik vrees dat er weinig van terecht zal komen. De veertig wijken zijn immers al vastgesteld en het zal veel moeite gaan kosten om over de wijkgrenzen heen te kijken. Ten slotte voorstel 6: neem de bewoners serieus. Ik denk dat niemand dat zal bestrijden.

Kortom: Engbersen vertelt zeker geen onzin, maar is ook niet hemelbestormend vernieuwend bezig. Meer inhoud is volgens mij nodig. Hieronder een bescheiden poging, ook geformuleerd in een aantal voorstellen.

Voorstel 1: zie steden en wijken niet alleen als probleemgebieden. Er zal voor moeten worden gewaakt dat in het huidige beleid steden en buurten niet weer ouderwets worden afgeschilderd als probleemcumulatiegebieden, als plekken waar alleen overlastgevende huishoudens wonen, als concentratiegebieden van criminaliteit. Natuurlijk zijn die problemen er, maar het beleid zou zich ook rekenschap moeten geven van positieve ontwikkelingsmogelijkheden. Dat houdt dan ook meer in dan het opkrikken van negatieve cijfers, maar, inderdaad, een gedegen analyse van de mogelijkheden die een wijk biedt.

Voorstel 2: zet niet alles in op sloop en nieuwbouw. Het huidige herstructureringsbeleid is voor een belangrijk deel gericht op het fysiek opkrikken van buurten: slechte woningen moeten plaatsmaken voor woningen met een betere kwaliteit. Daar is niets mis mee. Stedelijke herstructurering wordt echter ook vaak ingezet om de bevolking van achterstandswijken te differentiëren: lage inkomens eruit, hogere inkomens erin. Deze menging zou leiden tot betere contacten tussen verschillende groepen en minder negatieve invloeden van de buurt. Het is echter zeer de vraag of dat ook wordt bereikt. Differentiatie is niet een toverwoord dat zomaar altijd en overal tot goede oplossingen leidt. Het is eerder een bijna onaantastbare mantra geworden. Het zou Vogelaar sieren als ze durft het automatisme van de sociale differentiatie los te laten en juist ruimte laat voor differentiatie van beleid.

Voorstel 3: pas op voor waterbedeffecten. Het is maar de vraag in hoeverre differentiatie van de woningvoorraad en de bevolking leidt tot het oplossen van problemen in de wijk. Het is bekend dat de aanpak van drugsoverlast en criminaliteit in aandachtsbuurten automatisch leidt tot verplaatsing van mensen en problemen naar andere buurten. Dit soort processen valt wel te voorspellen, maar het lijkt erop dat beleidsmakers zich keer op keer laten verrassen. Meer aandacht voor waterbedeffecten betekent dat je in een vroeg stadium weet dat zich op bepaalde plekken in de stad mogelijk ongewenste ontwikkelingen gaan voordoen. Straks hebben we 40 nieuwe prachtwijken, maar zijn elders 40 nieuwe probleemwijken ontstaan.

Voorstel 4: zorg voor stedelijke autonomie. Iedere stad is verschillend. Iedere stad heeft daardoor ook verschillende ontwikkelingsmogelijkheden. Steden moeten de mogelijkheid hebben om, samen met bijvoorbeeld corporaties, hun eigen krachten uit te buiten. Voorkomen moet worden dat steden in een keurslijf van de centrale overheid worden geperst.

Voorstel 5: zorg voor een gezamenlijke visie. Er is geen voorbeeld van een nota waarin verschillende departementen hun gezamenlijke visie op de toekomstige stad hebben gearticuleerd. Een dergelijke visie is nodig, anders blijven de departementen hun eigen beelden nastreven. Die visie moet samen met de steden worden ontwikkeld – een aanpak die lijnrecht staat tegenover het eenzijdig en snel vaststellen welke de probleemwijken zijn.

Ronald van Kempen is hoogleraar Stadsgeografie Universiteit Utrecht.

Het artikel van Godfried Engbersen is na te lezen op www.nrc.nl/opinie