Tekens

Het weekend stond in het teken van tekens.

Voor mij begon het al op zaterdagmiddag toen ik een ingezonden brief van een lezer in deze krant las. Hij had mijn stukje over een beeld van Stalin in Praag verkeerd begrepen. In een ironische bijzin had ik geschreven dat er „al genoeg onaardigs over Stalin is gezegd”, waarna ik mijn eigen onaardigheden over de megalomanie van Stalin – gesymboliseerd door een idioot, inmiddels afgebroken beeld – eraan toevoegde. „In Nederland haalt niemand het in het hoofd om nu te zeggen dat er al genoeg onaardigs over Hitler is gezegd”, berispte deze lezer mij.

Moet het ironieteken dan toch maar worden ingevoerd? Ik ben er altijd tegen geweest, want ironie is geen ironie meer als je er ‘ironie’ bij zet. Daar begin ik dus toch maar niet aan, ook al beloof ik deze boze lezer dat ik speciaal voor hem een eenmalig ironieteken zal ontwerpen zodra ik de zin „er is al genoeg onaardigs over Hitler gezegd” zal schrijven.

Toen kwamen die andere tekens, de graffiti, in het nieuws. Twee jongens van zestien en zeventien bleken in Amsterdam een aantal gebouwen, waaronder het Anne Frank Huis, te hebben beklad. Graffiti zijn geen ironietekens, het zijn cynismetekens. Ze zijn te lang als een soort ludieke ironie opgevat, afkomstig van speelse, jonge mensen die de gevestigde orde willen plagen.

Daar heeft het allang niets meer mee te maken. Achter die graffitimanie zit een systematische vernielzucht, die veel serieuzer zou moeten worden genomen. Ik heb het in Amsterdam, vooral in het centrum, zienderogen zien toenemen. Het is alsof de graffitispuiters een guerrilla zijn begonnen tegen alles wat schoon, mooi, nieuw (of gerestaureerd) en duur is. Het is niet zomaar uit de hand gelopen lolbroekerij, ik voel er een diepe haat tegen de maatschappij achter. De tekens zijn soms uitgesproken kwaadaardig – laatst zag ik een gevel waarop grote penissen waren gespoten.

Wie tegenwoordig zijn geveltje laat opknappen, weet wat hem te wachten staat. In de vroege morgen verschijnen er enkele jonge helden – ironie! – die de schoonheidsdroom van de gezeten burger wel eens even zullen verstoren. Ze doen allang niet meer hun best om enkele fantasierijke graffiti te plaatsen – wat overigens altijd al een zeer schrale troost voor het slachtoffer was – maar ze spuiten haastig een (on)persoonlijke krabbel op.

Het slachtoffer is weerloos. Het is kostbaar om de graffiti te laten verwijderen en het risico is groot dat de vandalen hun werk kort na de verwijdering dikjes komen overdoen. Je kunt alleen maar hopen dat de politie ’s ochtends – want vermoedelijk gebeurt het dan vooral – intensiever wil patrouilleren. Het leek me geen toeval dat de bekladders van het Anne Frank Huis ’s morgens om vijf uur werden betrapt.

Wij lijken ons in Nederland te hebben neergelegd bij de graffiti. Amerikaanse toeristen hoorde ik gisteren op de Amsterdamse tv verbaasd zeggen: „Wat is hier aan de hand? Wie doen dat toch?” Bij ons overheerste de geruststelling dat „het geen Marokkaanse jongens” waren (hoewel ik dat de politie nog niet heb horen bevestigen). Wie het ook waren en zijn – ze moeten merken dat we dit niet langer willen.