Talkshow zet parlement op zijspoor

Het kabinet-Balkenende IV doet vanavond in een talkshow verslag van zijn eerste honderd dagen. Het gebruikt, net als in de VS, meer beeldvorming in de politiek. Het parlement heeft het nakijken, signaleren Sanderijn Cels

en Joan Arensman.

Hoe krijg je zestien ministers en elf staatssecretarissen in één talkshow? Dat moet vanavond blijken, wanneer het hele kabinet-Balkenende te gast is bij de EO-presentatoren Knevel en Van den Brink. De bewindslieden doen daar verslag van hun honderddagentour. Ze verschijnen dus eerst in de pers en dan pas in het parlement. Daarmee volgen ze één van de vele pr-trends uit de VS. Welke zijn dat?

1. De eerste zijn

In de VS én in Nederland presenteren politici hun plannen steeds vaker in de media, in plaats van in het parlement. Zo kunnen bewindslieden zonder al te veel weerwoord hun boodschap kwijt. Vanavond komt het weerwoord uitsluitend van twee EO-presentatoren, niet van de 150 leden van de Tweede Kamer. En de eerste klap is een daalder waard: politici weten dat pers en publiek weinig zin hebben zich twee keer in hetzelfde thema te verdiepen. Als het kritische debat in het parlement ruim na het eerste persmoment gehouden wordt, is het oud nieuws.

Door zelf het spits af te bijten, kunnen bewindspersonen het debat over hun plannen bovendien een gunstige draai geven. Ze bepalen niet alleen over welke aspecten wel en niet gesproken wordt, maar koppelen aan hun plannen ook meteen de waarden die zij belangrijk vinden. Zo kan een minister zeggen dat ‘het actieplan voor probleemwijken in essentie gaat over het behoud van solidariteit’. Wie het wijkenplan vervolgens bekritiseert, kan er makkelijk van worden beschuldigd die solidariteit te ondermijnen.

2. Het land in

In de VS zijn directe vormen van contact tussen politici en burgers populair: politici willen graag minder afhankelijk zijn van de pers. Nederland heeft zich hierdoor laten inspireren. Sinds de commissie-Wolffensperger in 2005 adviseerde over een betere overheidscommunicatie zien we een toename van spreekuren en werkbezoeken. Van de werkbezoeken van de premier wordt tegenwoordig op www.minaz.nl in door de rijksoverheid gemaakte filmpjes verslag gedaan.

Bewindspersonen gaan bij voorkeur het land in vóórdat ze in het zadel zitten – of anders vlak daarna, zoals nu het kabinet-Balkenende. De bewindspersoon die er in het laatste jaar van zijn ambtstermijn op uittrekt om te horen wat zijn beleid heeft opgeleverd, is nog niet gesignaleerd.

3. Het juiste plaatje

Steeds meer aandacht gaat uit naar het regisseren van beelden: een zappende kijker wordt al beïnvloed door één tv-fragment. De regering-Bush heeft eigen producers in dienst om ‘het juiste plaatje’ te ensceneren. Zoals bij Bush’ toespraak in New Orleans in 2005. Een jaar nadat de orkaan Katrina daar had toegeslagen, hield Bush een rede in de Franse wijk. De wijk was toen nog steeds verstoken van elektriciteit. Om de kathedraal op de achtergrond toch mooi in beeld te brengen, werden speciale generatoren ingevlogen om het gebouw uit te lichten. Toen de president zijn speech over de wederopbouw van de stad had beëindigd, ging het licht weer uit .

Ook in Nederland neemt de aandacht voor beeld toe. Neem de presentatie van de plannen van het vorige kabinet, op Prinsjesdag 2006. De slogan ‘Nederland werkt’ was overal in verwerkt: in de troonrede, maar ook in de persconferenties van de premier en de minister van Financiën.

4. De juiste woorden

De omgang met taal wordt steeds professioneler. In de VS worden woorden vaak van tevoren uitgetest op publiek, om te kijken of ze wel het beoogde effect hebben. De regering-Bush heeft ervoor gekozen beproefde succeswoorden eindeloos te herhalen. War on terror en We will prevail zijn de bekendste voorbeelden. Ook de kabinetten-Balkenende hanteren deze methode, zij het wat spaarzamer. Het vorige kabinet-Balkenende maakte veelvuldig gebruik van het woord ‘verantwoordelijkheid’. Het nieuwe kabinet zet in op ‘samen’.

De strakkere regie van woordgebruik vraagt ook om het vermíjden van woorden. Bush’ Republikeinse Partij heeft een lijst van verboden woorden, die enkele jaren geleden uitlekte. Er staat onder meer het woord privatiseren op. Dat is taboe als het om publieke voorzieningen als gezondheidszorg en sociale zekerheid gaat. Privatisering klinkt te commercieel: het publiek associeert het met topsalarissen en lease-auto’s. De Republikeinen kozen voor ‘personalisering’. De kabinetten-Balkenende hebben het over ‘keuzevrijheid in de zorg’.

5. Centrale regie

De regie over de communicatie verloopt steeds strakker. In de VS komt men daar openlijk voor uit. Dat dit succesvol gebeurt, was bijvoorbeeld te merken bij het laatste debat over de terugtrekking van troepen uit Irak. Wat de Democraten wilden, was volgens de Republikeinen een ‘recept voor overgave’. Volgens álle Republikeinen, want elk partijlid had deze formulering op zijn blackberry ontvangen.

In Nederland komt de kabinetsbrede stroomlijning moeizamer op gang. De afdelingen voorlichting van de ministeries zijn graag zelf verantwoordelijk voor organisatie en inhoud van hun communicatie. In de praktijk gaan ze veelal hun eigen gang. Ook ministers en staatssecretarissen neigen ernaar zich afzonderlijk van elkaar te profileren. Dat Balkenende die houding wil doorbreken, blijkt wel uit de benoeming van Jack de Vries. De voormalige spindoctor van het CDA is nu in dienst bij het ministerie van Algemene Zaken. Het is De Vries’ taak de ‘honderddagenvoorstellen’ van de departementen op elkaar af te stemmen.

Hoe groot is het risico dat wij te maken krijgen met overheidscommunicatie die, net als in de VS, verregaand geregisseerd en gepolitiseerd is? Het toonaangevende advies van de commissie-Wallage over overheidscommunicatie uit 2001 stelde dat de grenzen aan de politisering zouden moeten worden getrokken in een ‘permanente, publieke dialoog’. Maar deze dialoog heeft de afgelopen jaren helemaal niet plaatsgevonden. Gezien de recente pr-ontwikkelingen is het onderhand eens tijd voor een goed gesprek.

Een onderwerp dat zeker op de agenda moet staan is de mate van ‘terughoudendheid’ bij de communicatie over beleidsvoornemens, die volgens Nederlandse richtlijnen voor overheidscommunicatie geboden is. Bijvoorbeeld bij de presentatie van het beleidsprogramma, dat op 14 juni – na 100 dagen ‘praten met de samenleving’ – het levenslicht zal zien. Hoe ‘terughoudend’ is die presentatie?

Ook de inzet van publieke middelen voor campagnes voor nog niet vastgesteld beleid moet op de gespreksagenda – ‘informatiecampagnes’, zoals het Witte Huis ze noemt. Daarin moet de Nederlandse overheid ook ‘terughoudend’ zijn: als luidruchtige pressiegroepen veel geld besteden aan protest tegen beleidsvoorstellen moet ze kunnen reageren, zolang haar communicatie maar feitelijk en zakelijk van toon is – én proportioneel in verhouding met het budget en bereik van de tegenstanders.

Maar met deze restricties wordt te makkelijk omgesprongen. In feite kunnen ministers publieke middelen aanwenden om hun eigen politieke plannen te promoten, met als doel draagvlak te creëren en druk op het parlement uit te oefenen om voor hun plannen te stemmen. Zoals toenmalig minister De Graaf deed in 2005, toen hij met een bus rondtoerde om zijn plannen voor de gekozen burgermeester te promoten. Dat gebeurde onder het mom van ‘debat’ en ‘uitleg’, maar dit ‘debat’ was gepland tijdens de behandeling van het onderwerp in de Eerste Kamer en de karavaan was onmiskenbaar bedoeld om de stemming in Den Haag een handje te helpen. Er was bij De Graaf echter helemaal geen grote en luidruchtige tegenstander in zicht.

De publieke dialoog waar Wallage over schreef, is onderhand hard nodig. We moeten vaststellen hoe ver de overheid mag gaan in het besteden van publieke middelen bij het promoten van nog niet vastgesteld beleid. We moeten ons afvragen of het kabinet in het publieke debat geen té dominante machtspositie krijgt door met belastinggeld nieuwe pr-strategieën te financieren. En of de machtsbalans tussen regering en parlement onderhand niet in het geding is. Kortom, we moeten ons buigen over de grenzen van het toelaatbare.

Sanderijn Cels en Joan Arensman schreven ‘Dat hoort u mij niet zeggen, een boek over ‘hoe politici u de werkelijkheid voorspiegelen’ (2007).